Naamloos

Het is een volmaakt decor voor een thriller. Hoge vervallen pakhuizen steken dreigend af tegen de grauwe lucht. Ramen klapperen in de wind, die ook de lege, gedeukte bierblikjes niet met rust laat. Het bruine water van het Donaukanaal maakt het er niet vrolijker op.

Waar het Donaukanaal samenvloeit met de Donau, aan de oever waar op het "Stadtplan Wien' nog net Albern staat aangegeven, ligt het "Friedhof des Namenlosen'. Een passant loopt weggedoken in de kraag van zijn regenjas zoekend rond. Een drietal reeën springt schichtig weg tussen de kleine, krullende, gietijzeren kruisen.

Bij eerste aanblik zijn vrijwel alle, tientallen, kruisen gelijk, en even groot. Meer egalitair kan een begraafplaats niet zijn. Slechts bij nadere beschouwing blijken ze soms van elkaar af te wijken. Blijkbaar is het handwerk.

Maar er zijn nog meer afwijkingen. "Unbekannt', staat er sober op één zwart - met zilveren rand geschilderd - bordje op een van de kruisen. Waarom hier wel, vraag ik me af? Dat geldt toch ook voor de anderen?

Op een volgend kruis is de naam van het slachtoffer inderdaad wel vermeld: “Adolf Kraftel, Drechslermeister (metaalbewerker, HO), geboren am 15. Dezember 1861, gestorben am 1. Juli 1906 - Friede seiner Asche.” Zou Kraftel de maker zijn van de kruisen en zou hij daarom geëerd zijn met een tekst? Misschien is hij gewoon overleden en niet aangespoeld op de oever van de Donau, zoals de anderen.

Maar er is nog een uitzondering, zie ik. “Hier ruht Wilhelm Töhn, ertrunken durch fremde Hand am 1. Juni 1904 im 11. Lebensjahr.” Wat moet ik ervan denken, door vreemde hand verdronken? Is de jonge Wilhelm Töhn in het water geduwd? Misschien kwam hij uit dit dorp aan de rand van Wenen, waardoor zijn antecedenten bekend waren.

De bocht in de Donau is berucht. Door de sterke stroming spoelden hier de lijken aan. En op de "Begraafplaats van de Naamlozen' werden ze dan begraven, meestal zelfmoordenaars.

Op een plaquette staat een gedicht van Graf Alois Wickenburg: “Diep in de schaduw van oude iepen / Staren kruisen hier aan de duistere oeverrand / Maar geen grafschriften zeggen ons, wie er onder slapen / Koel in het zand.”

Het onbekende inspireert tot poëzie. Op een ander bord een anoniem gedicht: “Als rust en vrede door u gezocht / Uw boos gekwelde hart / Ver van de wereld, die u nu zoekt / Hier bestaat er geen smart.”

De dood dwingt respect af in dit niemandsland aan de rand van Wenen, de stad die een reputatie hoog te houden heeft met haar record-zelfmoordpercentage.

Twee paartjes komen al vrijend aanlopen. Ze komen van de plaats waar het leven zich koestert, de "Gastwirtschaft beim Friedhof der Namenlosen'. De gedempte, zondagse rust wordt er af en toe onderbroken door schaterlachende, grote pullen bier drinkende bejaarden. Aan een andere tafel, in de hitte van de knetterende houtkachel, zit een oude man ongestoord gebogen boven zijn krant. Hij komt hier al vijftig jaar, zegt hij. Iedere zondag. Hij drinkt zijn glas leeg. De dienster brengt een nieuw glas bier, zonder dat hij erom heeft gevraagd.

Mijn blik valt op de prijzenkast aan de muur. De oude man volgt mijn ogen.

“Nee”, zegt hij, zonder dat ik hoef te vragen, “nee, mijn bekers staan thuis.” Het blijkt de prijzenkast van de plaatselijke visvereniging.

“Vroeger”, en hij gaat er voor zitten, “vroeger viste ik ieder weekend hier in de bocht. Er zat veel vis.” Hij valt stil, lijkt op een vraag van mij te wachten. Ik knik en dan gaat hij verder. “Sinds mijn vrouw vijfentwintig jaar geleden overleed, vis ik niet meer. Nee, ik kan het niet meer opbrengen.” Zijn stem is omfloerst.

“Dan is uw vrouw ook jong overleden”, zeg ik overbodig.

Maar waarom vist hij niet meer, vraag ik me af. Hij lijkt mijn gedachten te raden. Het zal niet de eerste keer zijn dat hij het vertelt.

“We visten altijd samen. U zult het wel vreemd vinden, maar het waren gelukkige momenten in ons leven.”

“En sinds zij is overleden heeft u nooit meer gevist?”

“Nee, ze was al een hele tijd ziek. "Geisteskrank', weet u wel? En op een dag was ze spoorloos. Dagenlang kon de politie geen spoor vinden.” Hij ademt diep.

“Ten slotte vonden ze haar, aangespoeld, hier in de bocht.”

    • Hans Olink