Hulpverlener bij ramp vormt vaak zelf verborgen slachtoffer

Oorlogen, rampen en andere vormen van geweld zorgen niet alleen voor lichamelijk letsel, maar hebben ook ingrijpende psychische gevolgen.

Binnen de psychiatrie wordt gesproken over een posttraumatische stressstoornis wanneer de meegemaakte ramp steeds opnieuw beleefd wordt, de interesse voor de omgeving sterk is afgenomen en wanneer tevens nog twee andere symptomen als angstigheid, slapeloosheid en neerslachtigheid aanwezig zijn. De laatste jaren is duidelijk geworden dat niet alleen de direct betrokkenen hiervan het slachtoffer worden, maar ook de toegesnelde hulpverleners.

Na een groot treinongeluk in het Australische Granville (1977) bleek bij voorbeeld dat eenvijfde deel van de reddingswerkers een maand later geplaagd werd door angsten, depressies en slapeloosheid. Een groep Amerikaanse psychiaters deed nader onderzoek naar het fenomeen van de hulpverlener als potentieel slachtoffer en was aanwezig bij groepsgesprekken van brandweerlieden. Een aantal van hen had opgetreden bij een grote Amerikaanse vliegramp (Sioux City, 1989) en de overigen werden gevormd door een elite-team van de brandweer van New York. De reddingswerkers hadden regelmatig het gevoel tekort geschoten te zijn en voelden zich vaak hulpeloos. Zij ervoeren het contact met de gewonde of verkoolde slachtoffers als een zware belasting. Dit gevoel werd versterkt als de slachtoffers hen herinnerden aan eigen familieleden.

Opvallend was ook dat verschillende reddingswerkers rapporteerden dat zij thuis nog steeds de geur van verbrand vlees waarnamen. De stressreacties werden gedempt door de steun die bij elkaar gevonden werd en door een goede voorbereiding op calamiteiten. De mogelijkheid verantwoorde beslissingen te nemen, maakt de situatie dragelijker. (American Journal of Orthopsychiatry, juli 1992)

Een tweede groep hulpverleners die onder hun werkzaamheden gebukt kan gaan, wordt gevormd door psychologen en psychiaters. Zij worden op de meest indringende wijze met het leed van anderen geconfronteerd. Zij kunnen bij de eerste opvang nauwelijks gebruik maken van de subtiele therapeutische technieken uit hun dagelijkse praktijk en steunen de slachtoffers door met hen mee te voelen en naar hen te luisteren. De professionele deskundigheid zorgt er bovendien voor dat hulpverleners zeer goed realiseren hoe diep de ervaringen in zullen werken. Hoe zwaar hun werk is, blijkt uit een studie uit 1984. Werkers in de geestelijke gezondheidszorg die voor een eerste opvang bij een ramp hadden gezorgd, voelden zich voor het grootste deel verward, geschokt en erg moe. Bovendien werd de helft van hen na enige tijd ziek en ging bij voorbeeld meer drinken of roken. De Australische psychologen Alison Talbot en collega's concluderen dat hulpverleners ook maar mensen zijn. Wie anderen helpt bij het verwerken van traumatische ervaringen, heeft zelf ook hulp en steun nodig. (Journal of Traumatic Stress, volume 5, nummer 1, 1992) /