Gewetensbezwaarden doen verplicht sociaal werk

De invoering van een sociale dienstplicht is sinds vorige week, na een voorzet van CDA-fractieleider Brinkman, opnieuw aan de orde. Gewetensbezwaarden die hun vervangende dienstplicht doen, zijn al verplicht tewerkgesteld in instellingen met een maatschappelijk belang.

ROTTERDAM, 8 OKT. Tussen het groen van de Rotterdamse wijk Ommoord ligt het dagverblijf voor geestelijk gehandicapten de Vierspong. H.J. van Gemert laat de verschillende ruimtes zien waarin de deelnemers de werkdagen doorbrengen. Sommigen leren gegevens invoeren op een computer, anderen figuurzagen ganzen op wieltjes met leren flapjes als pootjes en een derde groep pakt bonbons in. “Nee ik snoep er niet van”, zegt een vrouw van een jaar of veertig. “Dan word ik dik.” Een van haar collega's maakt grijnzend een cirkel met gespreide armen: zo dik word je dan.

Van Gemert weigerde militaire dienst en na het afstuderen aan de PABO moest hij twee jaar geleden opkomen voor zijn vervangende dienstplicht. Hij had stage gelopen op een Tyltyl school voor meervoudig gehandicapte kinderen en wilde in het speciale onderwijs werken. Zo kon hij de vervangende diensttijd gebruiken om ervaring op te doen. Van Gemert kwam als groepsbegeleider bij de Viersprong en het beviel zo goed, dat hij er na de 16 maanden vervangende dienst bleef werken. Hij werkt met zo'n negentig geestelijk - soms ook lichamelijk - gehandicapten van achttien tot zestig jaar. “De deelnemers moeten hier een vak leren en de vaardigheden ontwikkelen om buiten het dagcentrum een baan te vinden.” Het zoeken van die banen is een van Van Gemerts hoofdtaken.

Trots laat Cenien de kussentjes, truien en haarbandjes zien die de textielgroep van de Viersprong maakt en die onder meer op braderies worden verkocht. Ze wijst een trui aan die ze heeft gebreid. “In vier dagen, niet zo snel. Ik heb de kleuren gekozen. Niet de begeleider.” Volgens Van Gemert is het stimulerend dat deelnemers iets maken dat wordt verkocht. “Ze doen iets nuttigs en dat voelen ze drommels goed.”

P.A. Schut is hoofd van de directie TEG van het ministerie van sociale zaken, die de gewetensbezwaarden van erkenning tot afzwaaien begeleidt. Hij legt uit dat het aantal weigeraars tot na de Tweede Wereldoorlog klein was. Tijdens de politionele acties in Indonesië steeg het snel. Daarna daalde het weer om sinds 1975 fors op te lopen. In 1981 deden 3.000 jongens een beroep op de wet gewetensbezwaarden. Voor 1992 verwacht Schut een kleine 5.000. De laatste tien jaar lag het aantal tewerkgestelden rondom de 2.300. Anderen hebben uitstel voor studie, weigeren pas na het vervullen van de militaire dienstplicht of hoeven om een andere reden niet op te komen. Dit jaar zijn ongeveer 1.500 jongens bezig met hun vervangende dienstplicht, omdat volgens de TEG "weigeryups' de doorstroom van Defensie naar Sociale Zaken stagneert.

De TEG werkt met zo'n 1.200 instellingen die zonder winstoogmerk in het algemeen belang werken. Behalve verschillende overheden zijn de NS een grote afnemer. Ook bij de NOVIB, Staatsbosbeheer, en instellingen op het gebied van gezins- en maatschappelijke zorg en hulp aan de Derde wereld. De instellingen betalen een vergoeding aan Sociale Zaken, gebaseerd op de marktwaarde van het werk. Schut legt uit waarom de vervangende dienstplicht eenderde langer duurt dan de eerste oefening bij de militaire. “Het is een compensatie voor de ongemakken van de militair diensplichtige, zoals de "fysieke ontbering' en het gebrek aan privacy. Als vervangend dienstplichtige heb je ook het voordeel dat het beter kan aansluiten op opleiding en ervaring. Bovendien kennen wij geen herhalingsoefening.”

Op zondagmiddag is het stil in het Amsterdamse pension de Hortus. Door de week verblijft daar een vijftiental vervangend-dienstplichtigen. M. van den Elzen (27) heeft Midden-Oosten-studies gedaan en werkt nu als redactie-assistent bij het persbureau IPS. Die baan ziet hij als een stageplek waar hij werkervaring kan opdoen. De jongens in de Hortus hebben uiteenlopende baantjes: bij Amnesty International, in een jeugdherberg, in bibliotheken. Van den Elzen is geen voorstander van een sociale dienstplicht voor iedereen. “Het is een te makkelijke oplossing. Zo willen ze het tekort aan arbeidskrachten in bijvoorbeeld ziekenhuizen oplossen. Het is een schrikbeeld: jongens en meisjes achter een bejaardenkarretje omdat het moet. Of dat zo fijn is voor die bejaarden?”

M. de Bruin (25) woont ook in de Hortus. Hij is MTS-elektronicus, maar wilde tijdens zijn vervangende dienstplicht niets doen dat met zijn studie te maken heeft. “Al die instellingen willen alleen maar goedkope arbeidskrachten. Die maken meer misbruik van ons dan gebruik.” Hij denkt dat het met een sociale dienstplicht nog erger wordt: “alsof een gek het verzonnen heeft. Alleen al dat woordje "plicht'. Ik vind het tegen de mensenrechten”.

“Sinds de start van ons wijkbus-project in Amsterdam-Zuidoost werken wij met twee vervangend-dienstplichtigen”, zegt A. Vink van de Amsterdamse stichting dienstverlening bejaarden. Voor haar zijn de gewetensbezwaarden "de spil' van het bedrijf. Ze werken de hele week, terwijl de andere medewerkers van de wijkbus voor 55-plussers vrijwilligers zijn, die meestal maar een paar uur achter het stuur zitten. Vink zegt dat de lage kosten een belangrijke reden zijn om met vervangend-dienstplichtigen te werken. “Het nadeel is dat ze maar zo kort blijven. Zodra ze ingewerkt zijn, moet je weer met een nieuwe beginnen.” Ze is een voorstander van een sociale dienstplicht. “Als die komt, zullen we daar zeker op intekenen. Dan heb je ook kans dat vrouwen komen.”

H. van Stippent (23) heeft op twee weken na zijn zestien maanden erop zitten. Balen zoals zijn miltaire collega's, heeft hij op de wijkbus in Zuidoost nooit gedaan. Na twee jaar sociale acadamie had hij er genoeg van en moest opkomen voor de vervangende dienst. Voor jongens zonder vervolgopleiding is het vaak moeilijk aan een leuk baantje te komen. “Ik mag niet klagen dat ik dit heb gevonden.” Het werken met ouderen bevalt hem goed en hij wil volgend jaar terug naar de sociale academie om iets in de richting van ouderenwerk te gaan doen. Van Stippent beschouwt het rijden op de minibus als zijn werk, maar met een groot verschil. “Je bent niet vrij. Als je problemen krijgt op het werk of in het pension, kun je niet een ander baantje zoeken of ergens anders gaan wonen.” De vervangende dienst vindt hij niet onrechtvaardig. “Je woont in een land en geniet sociale zekerheid en daar mag je wel iets tegenover stellen. Maar ik denk wel eens: "Waarom moet ik dit doen, terwijl zeven op de tien jongens de dans ontspringen?' ”

    • Dirk Limburg