Egypte van na de farao's belicht in nieuwe afdeling Allard Pierson

Morgen wordt de nieuwe Egypte-afdeling van het Allard Pierson Museum in Amsterdam geopend, waarin vooral de minder bekende "niet-klassieke' Egyptische cultuur aandacht krijgt.

Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. Di-vr 10-17u, za en zo 13-17u.

"In Egypte is alles omgekeerd', schreef de Griekse geschiedschrijver Herodotus in zijn Historiën. "De mannen plassen zittend en de vrouwen staand; ze kneden deeg met hun voeten, eten op straat, en schrijven van rechts naar links.'

Herodotus' woorden zijn het beroemdste voorbeeld van de eeuwenoude fascinatie voor "het rijk van de farao's'. De koningsgraven, mummies en hiëroglyfen lokken nog jaarlijks miljoenen toeristen - zowel naar de oevers van de Nijl als naar archeologische musea met een Egyptische collectie. Maar het beeld dat de bezoeker van de oud-Egyptische beschaving heeft, is tamelijk eenzijdig. Tenminste, dat vindt dr R.A. Lunsingh Scheurleer van het Allard Pierson Museum van de Universiteit van Amsterdam. “Wie aan Egypte denkt, denkt aan de piramides en aan de Sfinx, aan Nefertiti en Toetanchamon. De geschiedenis lijkt te stoppen in de twaalfde eeuw voor Christus, wanneer de farao's hun wereldmacht verliezen. Weinig mensen beseffen dat de Egyptische beschaving ook nog honderden jaren bloeide onder heerschappij van de Grieken en de Romeinen. En dat terwijl iedere Egypte-reiziger bewonderend rondloopt in de Hellenistische tempels van Dendera en Edfoe!”

Op de nieuwe Egypte-afdeling van het Allard Pierson Museum, die vrijdag 9 oktober door de voorzitter van het bestuur van de faculteit der letteren van de universiteit van Amsterdam, prof.dr. H. Pleij officieel wordt geopend, is dan ook veel plaats ingeruimd voor de "niet-klassieke' periode uit de Egyptische geschiedenis. Een van de vier zalen belicht de wisselwerking tussen de Alexandrijnse en de Egyptische cultuur, met in een verrassende vitrine enkele houten Griekse zuiltjes die van een Egyptische doodskist afkomstig zijn. Een andere zaal is zelfs helemaal gewijd aan de Koptische (christelijke) tijd in Egypte, van de stichting van de eerste kloosters tot aan de mohammedaanse invasie in de zevende eeuw na Christus; hier zal de komende zes, zeven jaar "de grootste collectie Koptische weefsels in Nederland' te zien zijn.

Drijvende kracht achter de nieuwe opstelling is Robert Lunsingh Scheurleer, hoofdconservator van het museum en kleinzoon van de bankier wiens collectie Egyptische oudheden de basis vormde voor het archeologisch museum van de Amsterdamse gemeente-universiteit. “Het is niet zo vreemd dat wij ons richten op postklassiek Egypte. Mijn grootvader was zeer geïnteresseerd in de mengcultuur van Grieken en Egyptenaren in de Nijldelta. Toen hij in 1934 failliet ging en zijn verzameling van de hand deed, kocht de universiteit vooral de Egyptische oudheden uit de Hellenistische, Romeinse en Koptische tijd. Niet alleen omdat dat de bijzonderste stukken waren, maar ook omdat het zinloos was om te concurreren met het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden, dat nu eenmaal een zeldzaam mooie klassiek-Egyptische collectie had.”

Voor de inrichting van de vier Egypte-zalen werd in de eerste plaats uit de eigen collectie geput: “We hadden een veel betere Egyptische verzameling dan we dachten, in het depot is dan ook bijna niets achtergebleven.” Daarnaast zijn er bruiklenen, onder meer een mummie en een houten model van een bierbrouwerij uit de verzameling van het RMO in Leiden. De permanente tentoonstelling wordt aangevuld met nieuwe aanwinsten: een ceremoniële rammelaar (sistrum) met het hoofd van de gehoornde godin Hatror, een bronzen krultangetje, en een paar gemummificeerde hoofden die met het Tropenmuseum werden geruild voor Javaans goud dat de universiteit nog in haar bezit had.

Alles in de zalen is origineel, benadrukt Lunsingh Scheurleer, behalve de afgietsels van de steen van Rosette en het monumentale beeld van koning Chefren dat als zaalwacht bij de ingang dienst doet. En de twee grote maquettes natuurlijk: een van de piramiden van Gizeh (met een verlichtingssysteem dat de op- en ondergaande zon suggereert), en een van de Horustempel te Edfoe. Als extra attractie komt in de derde zaal bovendien een computer te staan waarop de bezoeker zijn naam in hiëroglyfenschrift kan laten printen.

Als ik een week voor de opening rondloop op de Egypte-vleugel, zijn de nieuwe groene tentoonstellingskasten - ontworpen door George Strietman - nog niet klaar. Tussen de sarcofagen en kalksteenreliëfs wordt getimmerd en gezaagd, amuletten en godenbeeldjes zijn bedekt met een laag stof. Lunsingh Scheurleer, zelf gewapend met een duimstok, vertelt dat de hele operatie in het museum is voorbereid en zoveel mogelijk door het eigen personeel wordt uitgevoerd. De zes ton die de verbouwing desalniettemin kost, wordt opgebracht door de universiteit en een kredietverzekeraar, en door kleinere sponsors - onder meer een bank die dezelfde naam heeft als het museum (“puur toeval”), en een uitvaartverzekeringsbedrijf (“heel voorspelbaar wanneer het om de grafcultuur van de Egyptenaren gaat”).

De nieuwe inrichting ziet er zelfs onafgewerkt al aantrekkelijk uit. De stijve, no-nonsense vitrines die de vroegere Egypte-zalen kenmerkten zijn verdwenen, en de voorwerpen zijn thematisch en duidelijk in de doorzichtige kasten gegroepeerd. In de tweede zaal, die links het dagelijks leven en rechts de dodencultus illustreert, bevindt zich een zijkamer waarin de laatste rustplaats van een mummie is gereconstrueerd; even verder is een nis gewijd aan de mismaakte vruchtbaarheidsgod Bes, die vooral in de Hellenistische tijd populair was.

De in de zalen getoonde voorwerpen mogen dan niet zo spectaculair zijn als de scarabeeën en gouden maskers op een reizende "goden en farao's'-expositie, ze geven een goed beeld van het leven van de Egyptenaren door de eeuwen heen. Lunsingh Scheurleer: “De collectie van het Allard Pierson Museum is in de eerste plaats een archeologische studiecollectie. We waren dan ook niet van plan om een overzicht van de Egyptische kunstgeschiedenis te geven; maar door al die prachtig bewerkte "gewone' objecten is het vanzelf een kunsttentoonstelling geworden.”