Een nier geven aan ouder, broer, zus of kind is niet ongezond

Een nier van een levende donor kan het leven redden van een nierpatiënt, maar hoe vergaat het de donor? In het algemeen goed, concludeerde een transplantatiecentrum in Minneapolis dat het lot van 135 familiedonoren onderzocht.

De eerste nieren werden in de jaren zestig getransplanteerd. In die tijd waren niertransplantaties van niet-familieleden nauwelijks succesvol. Familietransplantatie verschafte de enige kans op langdurig functioneren van de overgeplaatste nier. Afstotingsreacties kwamen - door overeenkomstige erfelijke kenmerken van donor en ontvanger - veel minder vaak voor dan bij transplantatie van een nier van een overleden, niet-gerelateerde donor.

Een nier kan worden afgestaan omdat mensen normaal gesproken met twee nieren leven. Een van de eerste niertransplantaties - van een moeder naar een zoon - werd uitgevoerd omdat bij de zoon na een ongeluk een beschadigde nier werd weggehaald. Na een dag bleek dat de jongen door een aangeboren afwijking maar een nier had gehad.

In de jaren tachtig was de situatie op transplantatiegebied drastisch veranderd. Behalve op kenmerken van de rode bloedcellen (bloedgroep) die voor het afweersysteem van belang zijn, konden donoren nu ook op afweerkenmerken van witte bloedcellen (HLA-factoren) worden geselecteerd. Er kwamen in het begin van de jaren tachtig betere immuunsysteemonderdrukkende medicijnen beschikbaar en de internationale uitwisseling van nieren van overleden donoren verbeterde. Hierdoor verminderde de noodzaak om met levende donoren te werken. In de Verenigde Staten zijn sommige transplantatiecentra er helemaal van af gestapt, bevreesd als ze zijn voor schadeclaims van de donoren of hun verzekeringsmaatschappijen.

In Nederland wordt er na zorgvuldig overleg en voorbereiding nog graag van nieren van levende donoren gebruik gemaakt. Zo'n nier heeft nog steeds na tien jaar een aanmerkelijk hogere overlevingskans dan een donornier van een overleden niet-gerelateerde donor.

Maar hoe vergaat het de donor? Hoe vaak gaat er tijdens de uitneemoperatie iets mis? Wat zijn de risico's om met één nier door het leven te gaan?

Het transplantatiecentrum in Minneapolis is het lot nagegaan van de eerste 135 donoren die tussen 1963 en 1970 een nier afstonden aan ouder, broer, zus of kind, of in enkele gevallen aan een verdere verwante. De donoren waren tijdens de transplantatie tussen de 16 en 70 jaar oud. Hun gezondheidstoestand in 1991 werd vergeleken met die van (niet-getransplanteerde) broers of zussen. Van 78 van de 135 donoren werden de gegevens achterhaald. Vijftien ervan waren 2 tot 25 jaar na de transplantatie overleden, maar niet aan een nierziekte of complicatie.

De overgebleven nieren van de donoren reinigen het passerende bloed na al die jaren gemiddeld net zo goed als beide nieren van broers of zussen van de donoren. De vergelijking met familieleden is zinnig omdat in families waarin een niertransplantatie nodig is door erfelijke aanleg vaker nierproblemen zullen voorkomen dan in de rest van de bevolking. De donoren hadden alleen een iets hoger eiwitgehalte in hun urine (protenurie), wat als voorteken van nierbeschadiging is op te vatten (althans bij proefdieren). Twaalf donoren hadden protenurie, een derde van hun onderzochte verwanten had dat ook. Van de donoren zonder protenurie had 15% van de verwanten last van teveel eiwit in hun urine.

Hoge bloeddruk kan ook een teken zijn van verminderde nierfunctie. De donoren hadden een hogere bloeddruk dan ten tijde van hun transplantatie. Dat was te verwachten want de bloeddruk stijgt met de leeftijd. Hun bloeddruk was vrijwel gelijk aan die van hun verwanten.

Het overlijdensrisico tijdens de transplantatieoperatie is 0,03%. Dat cijfer werd vastgesteld door alle tranplantatiecentra in de VS en Canada aan te schrijven en door in de literatuur naar gerapporteerde doden te zoeken. Op een totaal van 19.368 levende-donoroperaties tussen 1980 en 1991 werden 5 doden tijdens of kort na de operatie gevonden. Complicaties, waardoor langer ziekenhuisverblijf noodzakelijk was, trad op bij 1,8% van de operaties.

De onderzoekers concluderen dat nierdonoren geen verhoogd risico lopen op nierziekten. Ze memoreren zelfs een aantal gevallen waarbij tijdens het medisch onderzoek van potentiële donoren tumoren of andere levensbedreigende ziekten in een vroeg stadium werden gevonden. Een donornier redt soms niet alleen het leven van de ontvanger maar ook dat van de donor. (The Lancet, 3 okt)