Ecu niet langer levensvatbaar in huidige vorm

De speculatieve aanvallen op het Europese Monetaire Systeem van de afgelopen weken waren veel heviger dan in het verleden. Dat heeft twee oorzaken. In de eerste plaats komen de speculanten met veel meer geld naar de speeltafel, zodat de Centrale Banken die zij daar tegenover zich vinden ook met grotere interventies moeten proberen de wisselkoersen binnen de afgesproken bandbreedte te houden. Speculanten kunnen gemakkelijk zulke enorme bedragen inzetten, omdat de vroeger bestaande beperkingen op het internationale kapitaalverkeer in het EMS-gebeid bijna geheel zijn afgeschaft (onlangs hebben Spanje en Ierland noodgedwongen weer tijdelijke restricties moeten invoeren om hun munt beter te kunnen beschermen).

In een wereld zonder restricties op het financiële verkeer kunnen bedrijven vrijelijk kiezen waar zij willen investeren en hebben pensioenfondsen de mogelijkheid hun bezittingen goed internationaal te spreiden. Allemaal voordelen, maar onvermijdelijk kunnen dan ook korte-termijn-speculanten van de nieuwe vrijheid gebruik maken. En dat is op grote schaal gebeurd, ook al omdat de wisselkoersen in het EMS te lang waren vastgehouden; de tweede verklaring voor de zware storm van vorige maand. In de beginperiode van het systeem was er bijna ieder jaar een aanpassing; nu waren de koersen sinds januari 1987 (oktober 1990 voor sterling) niet meer veranderd. Toch was jaar-in-jaar-uit de stijging van de loonkosten in Italië, Spanje en Engeland hoger dan in Duitsland, Frankrijk en Nederland, zodat in het systeem steeds meer potentiële spanning ontstond. Dat maakte de aanpassing des te heviger, omdat de speculanten deze keer gemakkelijk konden raden welke valuta's in ieder geval zouden moeten devalueren en bovendien dat de omvang van die devaluaties wel zo groot zou zijn dat speculanten inderdaad grove winst konden boeken. Bestaat er uitsluitend de kans op een bescheiden aanpassing van de wisselkoers, dan lopen speculanten het risico dat zij wèl tegen een hoge rente moeten lenen maar uiteindelijk niet meer bereiken dan een aanpassing die zich beperkt van een positie onderin de "oude' band tot bovenin de "nieuwe' band. Speculatiewinst is dan verre van zeker. Deze keer stonden echter hevige devaluaties op de agenda, en hebben de speculanten dan ook naar schatting in totaal meer dan vijf miljard gulden verdiend ten koste van de Centrale Banken (de belastingbetalers in de devaluerende landen).

De praktische conclusie moet zijn dat zolang wisselkoersen nog kunnen veranderen, het niet wijs is om spanningen - dat wil vooral zeggen: verschillen in produktiekosten tussen de verschillende landen - zolang te laten aanzwellen, dat het voor de speculanten te gemakkelijk wordt om te raden wat de richting wordt van de eerstvolgende grote verandering in de wisselkoers. Daarom is het ook beter om in de toekomst niet meer toestemming te geven voor de extra-wijde bandbreedte die de afgelopen jaren is gebruikt voor lire, peseta en sterling. Zo'n band van zes procent (in plaats van de gebruikelijke twee en een kwart) is een uitnodiging aan landen om een nuttige aanpassing van de wisselkoers alsmaar uit te stellen, omdat er immers nog wel ruimte is voor zakken binnen de toegestane bandbreedte. Vooral het Engelse pond had al zo'n consequent neerwaarts traject afgelegd binnen de toegestane extra-wijde band, dat de markt niet meer geloofde in een terugkeer naar de centrale wisselkoers. Dan wordt het praktisch onmogelijk voor de autoriteiten om nog een serieuze speculatieve aanval te weerstaan.

Voordat Italië en Engeland weer zinvol kunnen deelnemen aan een systeem van vaste wisselkoersen zal in die landen het nodige moeten veranderen. Zelfs wanneer de Italiaanse regering er in slaagt om het financieringstekort belangrijk terug te brengen, blijft nog het probleem dat in Rome iedere twee weken een veiling is van nieuwe kortlopende staatsschuld.

(Nederland, daarentegen, geeft uitsluitend staatsleningen uit die tien of vijftien jaar looptijd hebben.) Italië is daarom heel gevoelig voor een stijging in de korte rente, die soms echter noodzakelijk is ter verdediging van een vaste wisselkoers. Conclusie is dat Italië de financieringsbehoefte zal willen beperken en tevens zal afstappen van het zo frequente beroep op kortlopend papier, wil het comfortabel kunnen deelnemen aan een geloofwaardig stelsel van vaste wisselkoersen. In Engeland ondervindt het monetaire beleid een andere handicap: historisch zijn daar veruit de meeste woninghypotheken afgesloten op basis van een variabele rente die elke paar maanden wordt aangepast. Dat maakt de Engelse politici bijzonder gevoelig voor veranderingen in het renteniveau, omdat uit opinieonderzoeken is gebleken hoezeer de populariteit van de zittende regering afhangt van de hoogte van de hypotheekrente. Ook dat zal moeten veranderen, namelijk door woninghypotheken bij voorkeur af te spreken tegen een rente die, zoals ook in Nederland, voor vijf jaar vastligt.

In Brussel was men nooit enthousiast voor een "Europa van twee snelheden', maar op monetair terrein lijkt dat onvermijdelijk. Een kleine groep lidstaten in Noord-West Europa kan heel goed verder gaan met de ene munt zonder daarmee schade toe te brengen aan de overige lidstaten. Nog steeds is het in ons Nederlands belang te streven naar één munt met België, Duitsland en Frankrijk, zowel door de evidente voordelen op het gebied van handel en toerisme, maar ook door de rentelast op de Nederlandse staatsschuld. Er blijft een hardnekkig verschil bestaan tussen de Duitse en Nederlandse rente, wat waarschijnlijk allang niet meer zijn oorzaak vindt in de angst dat de gulden binnenkort zal devalueren, maar veeleer te maken heeft met de geringere omvang en liquiditeit van de Nederlandse markt. Beleggers over de hele wereld hebben wel een mening over de vooruitzichten voor de Duitse obligatiemarkt, maar niet iedereen is even gedetailleerd op de hoogte van de Nederlandse macro-economie. Ook de termijnmarkt is veel beter ontwikkeld voor de Duitse obligaties dan voor de guldensmarkt. Naar schatting zou onze minister van financiën daarom een miljard gulden kunnen besparen door geleidelijk de Nederlandse staatsschuld opnieuw te financieren in een gemeenschappelijke munt met de Bondsrepubliek.

Tijdens de voorbereiding op die ene munt zal de Franse regering ernstig overwegen om - net als Nederland en België - een minieme vrije marge te gaan hanteren voor de wisselkoers van de Franse franc. De gulden, bijvoorbeeld, maakt al jaren geen gebruik meer van de volledig toegestane bandbreedte. Vorig jaar schommelde de gulden/mark wisselkoers tussen ƒ 1,126 en ƒ 1,1282, dat is een bandbreedte van niet meer dan 0,2 procent, nog niet eentiende deel van wat in feite is toegestaan. Waarom zouden de Franse autoriteiten niet stilletjes ook zoiets proberen, om zich bij de moeilijke verkiezingen van volgend jaar op een eventueel succes te kunnen laten voorstaan?

Na alle ongelukken van de afgelopen weken, is de ecu niet meer levensvatbaar in de huidige vorm. Ik denk dat de markt alleen nog geïnteresseerd is in een kunstmatige munteenheid wanneer de samenstellende delen uitsluitend bestaan uit munten van landen die onderling een heel nauwe bandbreedte onderhouden. De verliezen in de ecu-obligatiemarkt zijn zo groot geweest dat weinig beleggers nog interesse zullen hebben om te beleggen in een munt die voor een deel bestaat uit Grieks en Italiaans geld.

Duitsland, Frankrijk, Nederland, België en Denemarken kunnen heel goed experimenteren met minieme fluctuatiemarges tussen hun wisselkoersen, ook als de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht hapert. Referenda in Denemarken en Frankrijk hebben intussen aangetoond dat de Europese burgers nog allerlei twijfels houden over verregaande eenwording, hoewel de professionele politici ook in die landen bijna unaniem voorstander zijn. Dat 68 procent van de Franse parlementariërs en niet minder dan 83 procent van de Deense afgevaardigden vóór Maastricht stemden, ondanks de zware scepcis bij de bevolking, geeft een duidelijk signaal van wat er mis is met Maastricht. Niet de tekst van het Verdrag, maar de grote afstand tussen burgers en Brusselse bureaucratie, de angst dat nationale competenties verdwijnen en Brussel gaat ingrijpen in pensioenen en werkomstandigheden, maakt de burgers huiverig. De politici moeten die kennelijke tegenzin serieus nemen, maar dat betekent veeleer veranderingen in hun gedrag en een uiterste inspanning om de Brusselse bureaucratie te beperken, dan specifieke wijzigingen in de tekst van Maastricht. Vandaar dat de vooraanstaande Deense econoom Niels Thygesen voorspelt dat zijn landgenoten in een tweede referendum volgend jaar alsnog de tekst van Maastricht zullen goedkeuren, wanneer de politiek goed reageert op hun angsten en onzekerheden.

Misschien zijn de Deense en Franse stemmers ook uitgekeken op premier Schlüter en president Mitterrand die al zolang aan de macht zijn. De tijd zal dat probleem oplossen; het staat opnieuw los van de tekst van Maastricht. Belangrijker is dat in Frankrijk de tegenstand tegen Maastricht zich concentreert bij de lager opgeleide burgers die heel scherp inzien dat economische integratie risico's met zich meebrengt voor hun bestaanszekerheid. Hoe vrijer het economisch verkeer in geheel Europa, des te meer zullen industriële bedrijven produktie verplaatsen naar lage-lonenlanden. Gemiddeld is vrije handel een goede zaak voor een economie, maar niet automatisch voor iedere inwoner. Zo is ook het voorgestelde vrij-handelsverdrag tussen Canada, de VS en Mexico in het voordeel van alle drie de landen, maar zien textielarbeiders in North Carolina of produktiemedewerkers van Magnavox (Onderdeel van Philips) dat steeds meer werk nu naar Mexico wordt verplaatst. Hoger opgeleide burgers, vooral wanneer ze werken in de dienstensector, zijn minder kwetsbaar dan lager geschoold fabriekspersoneel. Vandaar dat de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders van Maastricht in Frankrijk bijna perfect overeenkwam met de klassetegenstelling tussen hoger en lager opgeleiden.

De Europese politici zullen heel goed moeten luisteren naar deze terechte angst van vooral de lager opgeleide fabriekswerkers, en hun best doen met lagere belastingen, goed technisch onderwijs, alsmede omscholing voor lager opgeleide werknemers. Het is misschien de grootste uitdaging voor de rijke landen in West-Europa om ervoor te zorgen dat ook de minder opgeleide medeburgers kunnen profiteren van de economische integratie en de openingen naar Oost-Europa en Noord-Afrika. Dat moet een zorg zijn voor de complete EG, inclusief Engeland, maar staat bestuurlijk (gelukkig) los van de vraag of vijf landen in Noord-West Europa al dan niet snel verder gaan op weg naar de ene munt. Ik althans hoop dat die er, na een tussenfase met heel strakke wisselkoersen, snel komt, liefst eerder dan 1999.

    • E.J. Bomhoff
    • Columnist van Deze Krant