Droogvlekken

De vlek heeft een geheim dat tot op heden niet is opgelost. Dat geheim schuilt in het randje van de vlek. Het vlekrandje is altijd donkerder dan het midden. Niet zo'n beetje donkerder, maar overtuigend veel donkerder dan het centrum. Het randje is vaak ook dikker, het doet soms zelfs denken aan een maankrater. Wie met het aanrechtdoekje een vlek wegveegt houdt meestal het randje over.

De illustratie van dit alles is in een half uurtje geleverd en het maakt niet uit of men koffie, thee, Coca Cola, wijn of inkt vermorst om de testvlek op te wekken, het maakt ook niet uit of op een absorberende ondergrond zoals papier, blank hout of textiel of juist op glas, geglazuurd aardewerk of geëmailleerd plaatstaal wordt gemorst: altijd is de vlek als hij eenmaal is opgedroogd aan de rand het donkerst. De vochtvlekken op het behang, de vlekken op de tegels onder het urinoir, bloed in verband, leidingwater op de spiegel, de vogelpoep op auto's, tranen op een brilleglas - altijd donkere randen of preciezer gezegd: dikke randen want melk op een donkere tafel droogt natuurlijk in negatief op.

Jazeker, er zijn uitzonderingen. Vetvlekken, lippenstift, klodders jam, stroop en tomatenpuree volgen een ander patroon. Maar goed beschouwd zijn dit geen vlekken die opdrogen, zekere niet als ze op glas, plastic of metaal terecht komen.

Wat is het geheim van de vlek? Mevouw Kraak-Helder had het geweten, maar zij is niet meer. Over dus naar de firma Citin Chemical Products in Leiderdorp die gespecialiseerd is in vlekverwijdering zoals uit haar assortiment Vlekkentovenaars blijkt. En later bellen met het Instituut voor reinigingstechnieken van TNO in Delft. Maar beiden tonen zich vooral sterk in het verwijderen van vlekken uit textiel en absorberende ondergronden. Dat de vlekken in zuigend papier en katoen aan de randen het donkerst zijn is afdoende verklaard in vakliterauur over "chromatografie', die in gecomprimeerde vorm ook in de meeste naslagwerken is terug te vinden. Vlekken in papier en katoen zijn altijd groter dan de morsing die eraan voorafging en tijdens het "lopen' van het oplosmiddel treedt een onregelmatige verdeling van vocht en vaste stof op die van wetenschap en techniek veel aandacht heeft gekregen. Men heeft er een nuttig gebruik van leren maken in allerlei scheidingstechnieken.

Het gaat hier vandaag over het morsen op een niet absorberende ondergrond. Tegels, glas, formica, roestvrijstaal. De vlek op zulke ondergronden is altijd even groot als de morsing. Geconfronteerd met deze beperking slaan Citin en TNO heftig aan het improviseren. Men komt tot overwegingen die ook het AW-centrum al had overwogen. Natuurlijk is het zo dat morsingen, druppels en plasjes, die immers meestal bol staan, van buiten naar binnen opdrogen. Maar dat verklaart niet waarom ze aan de randen zo donker zijn.

Over daarom naar de Technische Universiteit Delft. De woordvoerder van het faculteitsbureau chemische technologie begint aan een exposé over vlekken in katoen, over chromatografie en hoe nuttig dat is, maar zwijgt na de scherpe verduidelijking van AW-zijde. Dan wordt doorverbonden met prof. dr. G. Frens. En terecht, Frens blijkt als medewerker van het Philips Natlab in de jaren zeventig onderzoek verricht te hebben aan verschijnselen die in nauw verband staan met het vlekkenraadsel. Ook hij moet, zoals de meeste deskundigen die door het AW-centrum pardoes om uitleg worden gevraagd, denkend spreken en sprekend denken maar aldoende ontstaat toch snel helderheid.

Frens stelt vast dat de effecten vooral frappant zijn bij vlekken van vloeistoffen die geen echte oplossingen zijn maar correcter met suspensies (eventueel emulsies) zijn aan te duiden. Colloïdale oplossingen. Wat daar in het oplosmiddel (meestal water) is "opgelost' is niet uiteengevallen in moleculen of ionen maar zweeft in veel groter aggregaten van samenhangende moleculen die soms zelfs bijna met het blote oog te zien zijn. Dat is één.

Twee: de spat of druppel waaruit later de vlek, de droogvlek, ontstaat is op het monent dat hij op zijn ondergrond belandt groter en platter dan hij aan zichzelf overgelaten had willen zijn, hoe zeg je dat. Direct na zijn ontstaan heeft hij dus de neiging zich iets van de ondergrond terug te trekken. Daarbij blijft aan de periferie een vochtig strandje over. Bij het indrogen van de vlek zal dat strandje zich langzaam gaan uitbreiden, want inderdaad: de bolstaande druppels moeten wel van buiten naar binnen opdrogen.

Het derde deel van de verklaring komt van de onzichtbaar heftige stromingen die in druppels en filmen vloeistof voorkomen. Aan de basis daarvan liggen lokale verschillen in oppervlaktespanning en een ongelijkmatige verdeling van de temperatuur. Een druppel of film die aan zijn oppervlak verdampt koelt af en krijgt weer warmte aangevoerd van de ondergrond. Frens verwacht dat in een ronde druppel een vloeistofstroom vanuit het centrum langs het buitenoppervlak naar de periferie en vandaar over de bodem (langs de ondergrond) weer terug naar het centrum zal optreden, maar toont zich daar niet helemaal zeker van. 't Kan ook andersom zijn.

Belangrijk is dat door deze stroming deeltjes naar het vochtige strand worden gesleurd die daar simpelweg vastlopen tussen deeltjes die al vast zaten. In een beker karnemelk kan men iets zien gebeuren dat daar sterk op lijkt. Dat juist op het strand, met zijn verhoudingsgewijs grote want onregelmatige oppervlak de verdamping het hevigst is zal het effect nog versterken. Het is de onverwacht dynamiek in de druppel die het centrum zijn grof vuil onttrekt.

Men verweert zich niet makkelijk tegen kwalitatieve oplossingen en de geboden verklaring is niet alleen redelijk maar ook prettig begrijpelijk. Het AW-centrum blijft zitten met de waarneming dat ook echte oplossingen (zoals die van kalk in leidingwater) dikke randen opleveren en dat druppels die op vertikale oppervlakken terecht kwamen steeds aan de onderzijde het donkerst zijn. Terwijl het vangende strand van de drogende druppel aan de bovenzijde heeft gezeten. Het lijkt erop dat het geheim nog bestaat.

    • Karel Knip