CPB: concessie in CAO-kwestie

DEN HAAG, 8 OKT. De algemeen-verbindendverklaring van CAO's draagt in Nederland bij aan het bestaan van goede en stabiele arbeidsverhoudingen en dat is voor de Nederlandse economie van wezenlijk belang. Dat is de unanieme opvatting van de Sociaal-Economische Raad, te lezen in een gisteren bekend geworden concept-advies.

Zo blijkt maar weer dat ook de directeur van het Centraal Planbureau wel eens een concessie doet. Want SER-lid prof.drs. G. Zalm uitte zich eerder dit jaar heel wat minder opgewekt over de arbeidsrust in een land, stelde hij vast, waar twee miljoen mensen onder de 65 op een uitkering zijn aangewezen. “Ook in de Sahara en op het kerkhof heerst volledige rust”, sneerde hij in het blad ESB. Hij pleitte ervoor de algemeen-verbindendverklaring (AVV) slechts toe te passen volgens het principe "nee, tenzij'. Loonafspraken zouden niet aan bedrijven die niet aan de CAO-onderhandelingen hebben meegedaan, mogen worden opgelegd, maar wel afspraken over "goede doelen', scholingsprogramma's, banen voor etnische minderheden en dergelijke.

Zalm, die ook bijzonder hoogleraar economische politiek aan de Vrije Universiteit is, en prof.dr. E. Bomhoff, hoogleraar monetaire economie aan de Erasmus Universiteit, hebben zich via hun publikaties ontpopt als het slopersgilde van wat anderen beschouwen als een van de hoekstenen van het Nederlandse systeem van arbeidsverhoudingen. De AVV leidt tot opdrijving van de loonkosten, bemoeilijkt de komst van nieuwe bedrijven en belemmert de toetreding van laaggeschoolden tot de arbeidsmarkt, zo betoogde Bomhoff/Zalm. Maar de paarse professorencoalitie heeft het niet gered.

Althans, voorlopig niet. Het kabinet moet nu zijn standpunt bepalen. Minister De Vries (sociale zaken) beloofde in mei van dit jaar dat het kabinet “zich nog eens grondig zal bezinnen” op de werking van de AVV en hij deed dat uit sikkeneurigheid over de bovenwettelijke afspraken over de ziekte-uitkeringen die werkgevers en werknemers in CAO's hadden gemaakt. Ook de loonontwikkelingen stemden het kabinet niet vrolijk. CDA-minister De Vries staat niet alleen. In een interview met NRC Handelsblad uitte PvdA-minister Kok vorig jaar mei zijn twijfel over de AVV. “Moet het vandaag allemaal nog wel zoals we het gisteren wilden”, vroeg hij retorisch. Afschaffing van de AVV, voor “iemand als ik, (Kok) die groot is geworden in de vakbeweging, was dat eerst een vloek in de oren”.

Dat is het nog steeds voor de huidige vakbeweging en in elk geval voorlopig ook voor de werkgeversorganisaties, die over een jaar of zes nog eens over de merites van de AVV willen praten. Zolang zal het zeker niet duren als het kabinet iets blijkt te zien in het minderheidsstandpunt dat Zalm en een tweede Kroonlid van de SER, prof.dr. C.F.K. Nieuwenburg, bij hun instemming met de algemene strekking van het advies hebben gevoegd. Dit houdt in dat de minister van sociale zaken de AVV niet moet doorvoeren als CAO-bepalingen in strijd worden geacht met de sociaal-economische doelstellingen van het kabinet. Loonmatiging kan zo'n doelstelling zijn, of bestrijding van het ziekteverzuim. Het kabinet zou voorafgaand aan de CAO-onderhandelingen daarvoor zijn grenzen moeten bepalen en die, na instemming van de Tweede Kamer, aan de sociale partners kenbaar maken.

Bij alle discussie over de toepassing van de AVV, wordt wel eens over het hoofd gezien dat het minister De Vries medio 1990 helemaal geen afschaffing van dit wettelijke instrument voor ogen had, maar juist een verruiming: toepassing voor meer CAO-bepalingen (de "goede doelen'). Die verruiming kan hij van de SER krijgen.

De AVV stamt uit 1937, een tijd waarin het minimumloon nog niet bestond, sociale voorzieningen er in veel geringere mate dan nu waren en de wet veel minder wettelijke bescherming aan werknemers bood. Dat werkgevers- en werknemersorganisaties, verenigd in de SER, niet van dit instrument afwillen, laat zich raden. De wetenschap dat de minister van sociale zaken hun CAO-afspraken ook zal opleggen aan bedrijven en werknemers die niet aan de onderhandelingen meedoen - dus geen lid van hun organisatie zijn - vergroot hun macht en vergemakkelijkt de onderhandelingen. Slechts 8 procent van de werkgelegenheid wordt via de AVV aan CAO's gebonden. Maar het gaat de onderhandelaars om de zekerheid dat andere bedrijven de concurrentiestrijd niet op grond van (voor de werkgever) gunstiger arbeidsvoorwaarden kunnen aangaan.

Hoewel, zekerheid? Als minister De Vries en zijn collega's zich “nog eens grondig bezinnen” op de AVV, treffen zij in deze wet de mogelijkheid CAO-bepalingen niet algemeen verbindend te verklaren als zij die in strijd achten met het algemeen belang. Dat is na de oorlog vrijwel niet voorgekomen, de diamant-CAO in 1954 en de slagers-CAO in 1969 uitgezonderd.

Sedert 1987 kan de minister van sociale zaken praktisch gesproken geen loonmaatregel meer treffen, of er zou sprake moeten zijn van een “plotselinge noodsituatie”, zoals de Wet op de loonvorming stelt. Een kabinet dat zijn sociaal-economische doelstellingen van algemeen belang acht, meent dat CAO-bepalingen daarmee in strijd zijn en niet bang is voor ruzie, beschikt over één wettelijk instrument om iets te doen: de bestaande Wet AVV.

    • John Kroon