100 jaar zielkunde

Een laboratorium voor de ziel. Universiteitsmuseum, Zwanestraat 33, Groningen. Tot en met 6 december 1992. Openingstijden: van dinsdag tot en met vrijdag van 12.00 - 16.00 uur en op zaterdag en zondag van 13.00 - 16.00 uur. Toegangsprijs: ƒ 2,=

De natuurwetenschappelijke techniek heeft het leven tot één lange Sint-Nicolaasavond gemaakt. Steeds sneller en steeds vollediger worden onze behoeften bevredigd, maar steeds minder voelen wij ons voldaan. "Waar is de lekke plaats, die al deze weldaden ongenoten doet wegvloeien, waar de schimmelplant, die al deze zoetigheden doet verzuren, zoodra wij ons gereedmaken ze naar den mond te brengen?' Deze woorden zijn afkomstig van Gerard Heymans (1857-1930), de eerste hoogleraar in Nederland die de zielkunde in zijn leeropdracht had. Dit jaar wordt herdacht dat de Nederlandse psychologie honderd jaar oud is, omdat Heymans in 1892 een psychologisch laboratorium inrichtte.

Aan het begin van deze eeuw keek Heymans in de rede "De Toekomstige Eeuw der Psychologie' vooruit naar het nut van de wetenschappelijke psychologie voor de mensheid. Hij verwachtte dat de zielkunde in de verre toekomst een prachtige aanvulling op de natuurwetenschap zou kunnen leveren. Deze laatste had de "uitwendige omstandigheden in haar macht gekregen', maar tegenover de hierop reagerende mensen stond zij machteloos. En juist op dit gebied ligt de taak van de psychologie, zodat "de gaven van de natuurwetenschap niet langer hun doel zullen blijven missen'. De psychologie heeft volgens Heymans de taak de mens gelukkiger te maken en op een hoger zedelijk peil te brengen. Dit zou kunnen door met behulp van de experimentele methode steeds meer feiten aan het licht te brengen. Met de aldus verkregen bouwstenen zou langzamerhand een juist beeld van de menselijke mogelijkheden geschetst worden.

De zegeningen hiervan zijn volgens Heymans talrijk: toegenomen zelfkennis zou een effectieve buffer vormen tegen zowel de zelfoverschatting die ten grondslag ligt aan een Uebermenschentum, als aan de verlammende zelfverachting die zovelen in zijn greep houdt. Daarnaast zou het begrip voor medemensen groeien, zodat "misverstanden zullen verdwijnen en slagbomen vallen'. Tenslotte zullen ook oorlog en concurrentie verdwijnen, zoals een "primitief werktuig dat terzijde wordt gelegd om plaats te maken voor een beter'.

Dichterbij

De beperkte middelen waarmee Heymans dit toekomstvisioen een stapje dichterbij probeerde te brengen, zijn momenteel te bewonderen in het Universiteitsmuseum van Groningen. Heymans was namelijk zijn gehele loopbaan als hoogleraar aan de Groningse universiteit verbonden en hier zijn ook alle instrumenten en toebehoren waarmee hij proefnemingen deed, bewaard gebleven. Zelfs de schriftjes waarin Heymans zijn talloze berekeningen uitvoerde en de verbandrolletjes waarmee hij een hartslagmeter aan de pols van zijn proefpersonen vastmaakte, zijn nog aanwezig. Als Heymans vandaag uit de dood zou opstaan, zou hij morgen weer verder kunnen werken in zijn laboratorium.

Dit betekent niet dat de tentoonstelling direct een beeld geeft van de manier waarop Heymans aan het werk was. De museumbezoeker heeft al zijn voorstellingsvermogen nodig om op grond van de summiere beschrijvingen te begrijpen waar de verschillende apparaten voor dienden. De vingerergograaf, pneumometer, kymograaf, valfonometer van Fechner, resonantiebol van Helmholtz en chronoscoop naar Hipp zijn voor de hedendaagse bezoeker weinig alledaags en het is soms moeilijk in te zien op welke wijze ze gebruikt werden.

Nog ingewikkelder is het te bedenken hoe het laboratorium bij het beantwoorden van vragen over de psyche van de mens functioneerde. Dit komt doordat de verschillende instrumenten allemaal dicht bij elkaar staan, zonder dat dit doet denken aan een concrete proefopstelling. Dit moet overigens niet alleen op het conto van het museum worden geschreven, want Heymans maakte weinig gebruik van de instrumenten die hem ter beschikking stonden. De verzameling instrumenten is niet in de eerste plaats ontstaan omdat zij bij bepaalde proefnemingen noodzakelijk waren. Het instrumentarium vormt de afspiegeling van het ideaalbeeld dat uit Duitsland was overgewaaid van het ideale psychologische laboratorium.

Een uitzondering hierop is de proefopstelling van een beroemd parapsychologisch experiment. Heymans had de student Arend van Dam ontmoet die van zichzelf dacht dat hij telepatisch begaafd was. De manier waarop Heymans deze claim onderzocht is kenmerkend voor de aanpak die hij ook bij andere problemen hanteerde. Hij wilde objectief bewijs en verzon de volgende - voor die tijd zeer ongebruikelijke - proef. Van Dam werd in een met doeken geblindeerd hokje geplaatst en zat met zijn hand boven een bord met achtenveertig velden. In de kamer boven Van Dam zat een proefleider die met behulp van het lot één van de velden in gedachten nam. Vervolgens had Van Dam de taak het juiste veld aan te wijzen. Hij slaagde hier in tweeëndertig van de tachtig gevallen in. Een zeer opmerkelijke score, die volgens Heymans het bestaan van gedachtenoverdracht buiten alle redelijke twijfel verhief.

Het experiment zal hedendaagse "ongelovigen' echter niet kunnen overtuigen. De proefleider nam Van Dam door een raampje in de zoldering waar en het is bij voorbeeld mogelijk dat deze onbewust geluidsignalen gaf aan zijn proefpersoon. Als Van Dam met zijn vinger in de buurt van het juiste veld kwam, boog de proefleider misschien naar voren en dan wist Van Dam door het kraken van de balken dat hij goed zat. Maar zelfs dan blijft de score zeer opmerkelijk en voor de museumbezoeker is het mogelijk dit zelf te ervaren. Er staan twee computers opgesteld waarmee de proef geïmiteerd kan worden. De persoon achter het ene beeldscherm wijst een veld aan, en de ander moet enkele meters verderop proberen aan te voelen welk veld dit is. De computer vertelt daarna of de gok de juiste was.

Een ander onderdeel van de tentoonstelling voert de bezoeker weg uit het traditionele psychologische laboratorium. Het toont de wijze waarop Heymans probeerde greep te krijgen op de verschillende menselijke temperamenten. Het is juist op dit gebied dat Heymans een belangrijk en ook tegenwoordig nog zeer gewaardeerd vernieuwer was. Op grond van de bestaande literatuur en opvattingen koos hij als eerste drie fundamentele dimensies waarop mensen van elkaar zouden verschillen. Deze dimensies zijn emotioneel of niet, actief of niet en primair (impulsief) of secundair (bedachtzaam) reagerend. Met behulp hiervan kunnen acht verschillende menstypen onderscheiden worden. Iemand die emotioneel, niet-actief en secundair reageert, wordt bijvoorbeeld sentimenteel genoemd.

Persoonsbeschrijvingen

Tot dusver verschilt de aanpak van Heymans nauwelijks van die van zijn tijdgenoten. De revolutie kwam pas toen hij zijn idee op een methodologisch verantwoorde manier toetste. Hij verzocht een groot aantal huisartsen beschrijvingen te geven van hun goed bekende personen. Hij verwierf daarmee 2523 gestandaardiseerde persoonsbeschrijvingen en hiermee gewapend berekende hij of de veelheid aan toegedichte eigenschappen zich goed op de drie dimensies schikten. Het moest bij voorbeeld niet zo zijn dat iemand die primair reageert ook altijd emotioneel is. In dat geval kan niet gesproken worden over verschillende dimensies. Dit betekende dat Heymans vele duizenden berekeningen moest uitvoeren en op de tentoonstelling zijn nog schriftjes te zien die gebruikt werden bij dit monnikenwerk.

Daarnaast las Heymans als tweede controle honderdtien biografiën en hij beschreef met tachtig steekwoorden de karakters van deze personen. Op een (nu tentoongesteld) kaartje gaf hij aan hoe hij het karakter van Napoleon beoordeelde: in hoge mate actief, zelfstandig en volhardend, maar tevens ten prooi aan wisselende stemmingen, contradicties en met een gebrek aan familiegevoel en vaderlandsliefde. Het steekwoord consciëntieus zou volgens Heymans geen passende omschrijving bieden.

Het uiteindelijk resultaat van alle inspanningen leverde een belangrijke ondersteuning voor de theorie van Heymans. Hij gaf hiermee als eerste wetenschappelijk getinte persoonsbeschrijvingen. In het Universiteitsmuseum kan bij wijze van grap het eigen karakter op een soortgelijke manier ontleed worden. De opgestelde computer stelt vijftien vragen en daarna geeft hij aan welk temperament de invuller heeft. Volgens het onderzoeksmateriaal van Heymans zal de grootste groep mensen te horen krijgen dat zij gepassioneerd (emotioneel, actief en secundair) zijn.

De tentoonstelling toont Heymans als een gewichtig geleerde, die de strenge natuurwetenschappelijke methode op het terrein van de zielkunde introduceerde. Het is kenmerkend voor de huidige stand van zaken in de academische psychologie dat een dergelijk figuur wordt gekozen als beginpunt van haar bestaan. Maar aan de andere kant is er geen psycholoog meer die nog gelooft dat het vak middelen zal opleveren om iedereen gelukkig te maken. Zelfrelativering hoort tegenwoordig tot de standaardbagage. De Nederlandse psycholoog Nico Frijda beschreef dit in zijn afscheidsrede als volgt: "De psychologie biedt de vreugde van een glimp van de waarheid en de mogelijkheid tot een antwoord. Het zijn misschien geen vreugden voor alledag, maar beukenootjes voor de winterdag.'