Vóór de vis en de versterving

Op carnavalszondag hield de pastoor vroeger vanaf de kansel zijn zedenpreek: men zoude tijdens de drie komende dagen niet de vrouw van een ander begeren, noch zich overgeven aan slemppartijen. Zoals ze in Maastricht zeiden: “Plezeer, mer neet boete de sjraom” (plezier, maar niet over de streep).

Daarna trok eenieder zijn verkleedspullen aan, zette zijn masker op en ging de straat op en het café in om pas in de vroege ochtend van Aswoensdag weer boven water te komen. Waarna men door het eten van veel zure haringen terug in de nuchterheid en de alledaagse werkelijkheid trachtte te keren, de sombere vasten tegemoet.

Welk een stout meisje, de borstjes puilend uit haar jakje, dat op Aswoensdag om kwart voor twee pas in de ouderlijke woning terugkeert en daar door een boze vader en moeder de wacht krijgt aangezegd: schilderij van Basile de Loose, dat te zien is op de tentoonstelling "Vastenavond-Carnaval, feesten van de omgekeerde wereld' in het Noordbrabants Museum in Den Bosch (te zien tot en met 29 november).

Kerkelijke en burgerlijke autoriteiten en moralisten zijn door de eeuwen heen tamelijk spastisch omgegaan met het feest van de zotheid, want daarover hing - en hangt nog altijd - immers een zweem van losbandigheid, erotiek en lichtzinnigheid. Dat wordt duidelijk op de tentoonstelling, en in de kleurrijke catalogus. Zo is er de "Waarschouwing' van het Bossche stadsbestuur uit 1785 dat iedereen die zich tijdens het carnaval verkleed op straat begeeft, gestraft wordt “op poene van drie guldens”. In 1881 verzet de Bossche bisschop zich tegen het feest als zijnde van zondige aard. Aan hem ontleende de Bossche carnavalsburgemeester Peer vaan den Muggenheuvel zijn naam. Een snier op de bisschop, die een stuk grond - geheten de Mugheuvel - bezat. In 1917 verbiedt het Bossche gemeentebestuur het straatcarnaval. Maar dat laat zich er niet onder krijgen en in 1922 heeft er weer een officiële intocht plaats van prins Amadeiro, de heerser van Oeteldonk, zoals de Brabantse hoofdstad tijdens het carnaval heet. De Oeteldonkse Club bestaat dit jaar trouwens 110 jaar.

Carnaval is een veel beschreven, maar ook geschilderd en getekend fenomeen. Het feest betekende het afscheid van de overdaad aan het begin van de veertigdaagse vasten. Of van de vette naar de magere keuken, zoals onder anderen Jan Steen het plusminus 1650 weergaf. Gauw dronk en at men zich nog vol voordat men op vis en versterving zou overgaan. Maar dat was niet zo zeer wat de autoriteiten vreesden. Ze waren vooral bang dat de burgerij zich meester zou maken van het gezag of dat in ieder geval te schande zou maken of in dronken buien alle schroom zou laten varen. Zo hangt er in Den Bosch een schilderij van Wilhelm Schreuer van het Keulse carnaval, waarop dansende mannen en vrouwen in garnizoensuniform zijn te zien, die daarmee te kennen gaven dat ze het wettelijk gezag niet serieus namen. Tegenwoordig is het carnaval een getolereerd festijn; de echte burgemeester draagt aan het begin ervan de sleutels van de stad zelfs over aan prins Carnaval.

De tentoonstelling besteedt ook aandacht aan andere winterfeesten, zoals het feest van Sint Maarten, wanneer de kinderen met lampionnen zingend langs de huizen trekken. Sint Maarten valt op de elfde van de elfde maand, wat voor velen het startsein is om het vigilie van het H. Carnavalsfeest in te zetten. En aan het feest van de Onnozele Kinderen en Driekoningen.

Vroeger was het in ons dorp goed gebruik dat tijdens Driekoningen als koningen verklede kinderen langs de deuren trokken om wat geld of snoep op te halen. Mijn twee kleinkinderen hadden daarvan gehoord en zaten op Driekoningenavond bij mij thuis vol spanning te wachten totdat het eerste groepje zich zou melden. Maar de huisbel bleef akelig dood. Een traditie bleek jammerlijk te zijn gestorven. We hebben ons toen met ons drietjes als driekoningen verkleed en zijn met aardig financieel succes het plein rondgegaan: de omgekeerde wereld, soms mag het immers.

De tentoonstelling in het Brabants museum is geheel in stijl ingericht. Aan de buitengevel zijn mombakkesen aangebracht. In de expositiezalen hangen slierten serpentines vanaf de plafonds. De muziek uit een uitstekende videopresentatie, waarin naast het Bossche carnaval dat in Bergen op Zoom wordt belicht, begeleidt het geheel. Men moet zich zowaar inhouden om niet luid mee te gaan zingen van "Hop Marjanneke'. Waar zijn de toeter en de trom, men zou er zo de straat mee op willen.

    • Max Paumen