Veel opvang door buren of partner

Vrouwen moeten economische zelfstandigheid bereiken, vindt de overheid. Maar dan moet opvang voor hun kinderen wel voor handen zijn. WVC subsidieert daarom plaatsen in kinderdagverblijven en gastoudergezinnen. De onderzoekers W. Groot van de Universiteit Amsterdam en H. Maarssen van den Brink van de Rijksuniversiteit Leiden signaleren echter dat nog steeds veel gebruik wordt gemaakt van informele kinderopvang: opa en oma, de buurvrouw of de partner.

Uit hun onderzoek blijkt dat driekwart van de vrouwen met kinderen gebruik maakt van informele vormen van opvang en een kwart van formele. Bijna de helft van deze laatste groep verricht geen betaald werk. Dit houdt in dat een groot deel van de gesubsidieerde plaatsen niet terecht komt bij degenen voor wie het overheidsgeld is bedoeld: vrouwen met kinderen die betaalde arbeid verrichten.

Veertig procent van de werkende moeders brengt hun kinderen niet bij dagverblijven of gastouders onder, maar zoekt andere oplossingen. Maarssen van den Brink en Groot zeggen dat “het gebrek aan formele of georganiseerde kinderopvang voor een groot deel van de werkende vrouwen met jonge kinderen geen belemmering vormt om aan het arbeidsproces deel te nemen”.

Niet bekend

Wel heeft de vakbeweging woedend gereageerd op het onderzoek van Maarssen van den Brink en Groot. In het blad van de vakbond AbvaKabo zegt J. Huber, beleidsmedewerkster emancipatiezaken: “Onder niet-werkende moeders die wel gebruik maken van kinderopvang zijn ook vrouwen die een opleiding volgen, een groot gezin hebben of een gehandicapt kind verzorgen. Dat is heel wat anders dan het beeld dat de onderzoekers oproepen van tennisspelende en koffieleutende dames die de schaarse gesubsidideerde kinderopvangplaatsen inpikken van hardwerkende moeders.”