Tory-congres toneel van poging tot broedermoord

BRIGHTON, 7 OKT. De congresleiding sprak van “levendig”, maar die beschrijving schoot tekort voor de werkelijkheid. De Conservatieve Partij had gisteren gewoon openlijk ruzie: een fenomeen dat sinds het einde van de Britse bemoeienis met Rhodesië in dit gezelschap niet op zo'n manier is waargenomen. Het geschilpunt was, voorspelbaar, Europa.

Premier John Major had nooit gedacht dat het een gemakkelijke sessie zou worden - en dat werd het ook niet. Bewegingloos, maar met een leigrijs gezicht, moest hij toehoren hoe de sprekers pro Maastricht werden uitgescholden door een vocaal doeltreffende minderheid anti's, naar schatting eenderde van de aanwezigen.

“Bullocks”, riepen ze. Of: “Rubbish”. Of, iets meer inhoudelijk: “Referendum!” Het leek waarachtig wel een bijeenkomst van de oude Labour-partij.

Formeel boog het congres zich over een motie die - als altijd - de regering feliciteerde “met haar leiderschap op het gebied van buitenlandse zaken, speciaal tijdens het Britse voorzitterschap van de EG”, en die de regering vroeg verder te bouwen aan “een open, naar buiten gerichte Gemeenschap”. Maar dat bleek een stok om een hond te slaan, en iedereen wist het.

Tot in de gangpaden van een overvolle zaal staat en hangt het Conservatieve voetvolk. Een rijtje grimmig kijkende anti-Lagerhuisleden zit, armen stuurs over elkaar om niet per ongeluk te applaudisseren, op een van de zijbalkons.

Elders treffen we Sir John Nott, ex-minister van defensie in het eerste kabinet van Margaret Thatcher, nu werkzaam in de City. Hij zegt dat hij in geen tien jaar op een partijcongres is geweest, maar dat hij dit keer is gekomen om tegen de regering te stemmen. Maastricht is “disgraceful” - een schande - en de mensen in Groot-Brittannië zullen er nooit mee akkoord gaan. “Onze nationale karaktertrekken” verhouden zich niet met politieke eenwording met anderen.”

Op het streekgestoelte vóór het podium probeert een meerderheid van Conservatieven die stelling te bestrijden. Ze roepen de zaal op de premier te steunen, vooral “in deze moeilijke tijden”. Ze wijzen erop dat deze partij de verkiezingen heeft gewonnen onder zijn leiding en met het Verdrag van Maastricht als onderdeel van het verkiezingsprogramma.

“Hitler!”, roept iemand. De paar Europese vlaggen, waarop Rory de Leeuw in een cirkel van 12 sterren trots de kop heft, hangen er over de de balkons maar slapjes bij.

De eerste Euro-scepticus die een spreekbeurt heeft gekregen is een huisarts. Luidruchtige bijval is zijn deel en bij het woord referendum breekt opnieuw de hel los. De dokter spreekt denigrerend van Frère Jacques en Mama Mia, van zwendel met subsidies en van bureaucratie uit Brussel. Vreemdelingenhaat gemengd met afkeer van bemoeizucht. Het eerste ingrediënt krijgt bij elke Conservatieve Partij de handen op elkaar.

“Laat nooit meer de Britse voorspoed een lam zijn op het altaar van de Duitse Bundesbank”, roept een Euro-scepticus op het spreekgestoelte. “En dat hele Euro-parlement: mislukte politici op een vet salaris. Schaf het af, prime-minister! Groot-Brittannië moet in de eerste plaats komen.”

Het is aan Douglas Hurd, de Britse minister van buitenlandse zaken, om het debat af te ronden met een toespraak. Maar de Congres-leiding heeft het verstandig geacht eerst het mes te zetten in het gezwel van anti-Europese emoties in de zaal en roept Norman Tebbit naar het spreekgestoelte. De zaal valt bij deze zet even verrast stil, om dan in woest en langdurig applaus uit te barsten. Norman Tebbit, leider van de partij onder Margaret Thatcher en zo goed als haar spreekbuis als het tegen Europa en tegen het EMS gaat, heeft een warme plek in het hart van de “grass roots”. Acht jaar na dato herinnert ieder van de aanwezigen hier zich nog zijn dappere gedrag na de IRA-bomaanslag op het Grand Hotel in Brighton, waarbij hij uren onder het puin werd begraven en waarbij zijn vrouw levenslang invalide raakte.

John Major neemt op het podium een nieuwe vorm van onbeweeglijkheid aan als Tebbit het spreekgestoelte bestijgt, maar de camera's registreren zijn blik: als van een verlamd konijn in de stralenbundel van een sterke lamp. Vlak voor hem begint Tebbit aan een staaltje broedermoord, waarvoor zijn dodelijke scherpte en zijn lugubere uiterlijk hem zo bij uitstek geschikt hebben gemaakt. Deze fanate anti-Europeaan feliciteert de premier met de verkiezingsoverwinning en biedt dan zijn loyale hulp aan “wanneer u eenmaal in staat bent onze belangen te behartigen op een manier dat ze ook op de eerst plaats lijken te komen”. Hij constateert dat de regering “in ernstige moeilijkheden” is, dat zelfs loyale Conservatieve kranten om het aftreden van Norman Lamont vragen en dat “U, Sir, onze steun dus nodig hebt”. Dan volgt het dreigement, weinig subtiel verpakt: “Ik hoop dat u achter uw minister blijft staan. Het was tenslotte niet Norman Lamonts beslissing (maar die van John Major zelf - red) om in het EMS te gaan”.

Telkens onderbroken door bijval uit de zaal sneert Tebbit over de ellendige staat van de Britse economie, verergerd “omdat wij zonodig goede Europeanen moesten zijn” en hij noemt het “roekeloos, pervers en bizar” dat Europese politici, John Major incluis, ratificatie van het Verdrag van Maastricht nog steeds doorzetten, tegen de wil van de Europese bevolking in.

“Willen we dat andere landen zich bemoeien met ons immigratiebeleid?” “Nee”, schreeuwt de zaal. “Willen we burgers zijn van een Europese Unie?” “Nee.”

Een ovatie als was Norman Tebbit Margaret Thatcher zelf wordt zijn deel. Als Sinterklaas, langzaam lopend en allerwegen wuivend, keert Tebbit terug naar zijn plaats. Op het podium duurt de verstarring.

“Right”, zegt Douglas Hurd dan en verheft zich. “Ik zou me hier (ook) naar een soort ovatie kunnen slijmen. Maar als ik één ding geleerd heb, dan is het dat de minister die verantwoordelijk is voor controversieel beleid, deze conferentie beter recht voor zijn raap kan zeggen waarop het staat. Onze partij kan zichzelf verscheuren over Europa - maar dat zou gevolgen hebben die Groot-Brittannië diep zouden schaden en die onze tegenstanders alleen maar in de kaart zouden spelen. Laten we die waanzin vermijden.” Hij betoogt: “Maastricht is niet wat het lijkt, John Major heeft in het verdrag juist de centralisatie en de bureaucratie een halt toegeroepen en wat meer is: terugkomen op een belofte die je tegen je Europese partners hebt gedaan, zaait voor altijd twijfel aan je goede trouw en rangeert je op een zijspoor. Groot-Brittannië moet in Europa meedoen om invloed te hebben. “En dat, Norman Tebbit, is het Britse belang. Het zou niet safe zijn, het zou niet wijs zijn, en het zou niet juist zijn.”

Als de minister klaar is, krijgt hij een warm applaus uit de zaal, vooral als de regeringsploeg onder leiding van een stramme John Major opstaat om hem demonstratief toe te klappen. Maar ovationeel, zoals dat Tebbit ten deel viel, is het niet. Als de motie in stemming komt is de uitslag omgekeerd evenredig aan de kracht van de toejuichingen: tweederde feliciteert de regering, eenderde ziet daarvan af. De uitslag betekent niets, zij het dat John Major er mogelijk hoop uit put dat, straks bij ratificatie in het Lagerhuis, ook zal blijken dat de anti's wel hard hebben geschreeuwd, maar uiteindelijk in de minderheid zijn.