Strenge religie vertraagde loopbaan van Peter van Vossen; Onverzettelijke Zeeuw in Oranje; "Toen ik op m'n veertiende niet lid mocht zijn van een club ben ik gestopt met naar de kerk gaan'

GOOIK, 7 OKT. De door zijn vrouw ingelijste foto op de schoorsteenmantel herinnert aan zijn debuut in het Nederlands elftal. Dat was op 25 maart van dit jaar tegen Joegoslavië. Hij staat daar, nog gehuld in zijn trainingsjack, tussen gevestigde namen als John van 't Schip, Ronald Koeman, Frank Rijkaard en Stanley Menzo. Hij was de grote onbekende van Oranje. Maar die avond maakte hij indruk op alle Nederlandse voetballiefhebbers. Met zijn werklust, zijn onverzettelijkheid, zijn wilskracht en zijn verbetenheid om het vijandelijke doel te bestoken.

Toch kwam er geen vervolg op die ene interland voor Peter van Vossen, de 23-jarige Zeeuw, die afgelopen zomer voor 2,5 miljoen gulden van Beveren naar Anderlecht verhuisde. Het EK miste hij door een trombose in zijn arm. Tegen Noorwegen paste hij niet in het systeem, zat Gaston Taument hem in de weg. Maar nu, met het oog op de confrontatie van volgende week woensdag tegen Polen, lijkt zijn tijd gekomen. In elk geval werd de blonde spits gisteren door bondscoach Dick Advocaat gekozen voor de selectie van zestien spelers.

Peter van Vossen past in het rijtje Willem van Hanegem, Jan Poortvliet, Danny Blind, Frans de Munck, Toine van Renterghem, Jo Schot, Adri van Male en Adri Koster. Zeeuwen die het Nederlands elftal haalden. Terwijl hun provincie toch geen enkele traditie bezit op voetbalgebied. Maar misschien vereiste dat juist wel meer doorzettingsvermogen.

Peter van Vossen is een type voetballer dat behoort tot een uitstervend ras. Nu al kan hij een voorbeeld genoemd worden voor veel verwende vedetten. Hij leeft als een monnik, behartigt zijn pr als een profwielrenner en geniet van elke dag dat hij voetbalt. Van Vossen roeide tegen de stroom in naar de top. Hij komt uit een gereformeerd gezin van zestien kinderen; negen zussen (“en allemaal knap”), zes broers. Vader van Vossen werkte als tuinarchitect tien uur per dag en reed op zijn bakfiets afstanden zoals van Zierikzee naar Zeeuwsch-Vlaanderen. “Mijn moeder was de hele dag bezig met wassen en koken. Je voedde elkaar op. Er gaan veel makke schapen in een kooi. Op een gegeven moment weet je niet anders meer. Ik ben een slechte klant voor de KNVB. Ik heb een hoop gratis kaarten nodig voor elke interland.”

Peter was al heel jong dol op voetballen. Net als de broers Rini en Kees. De strenge religie van het gezin Van Vossen verbood echter het lidmaatschap van een vereniging. “Toen ik een jaar of negen was, wilde ik wel eens voetballen op een echt veld, met lijnen en doelen. Mijn oom was penningmeester van MEVO en had al vaak lopen zeuren of ik geen lid wilde worden. Op een gegeven moment ben ik bij die club gaan voetballen zonder dat mijn ouders het wisten. Sloop ik zaterdags stiekem met mijn tas onder m'n arm naar het voetbalveld. Dat had zijn charme, maar tegelijkertijd was het ook niet leuk. Ieder kind vindt het fantastisch als zijn vader langs de lijn staat. Dat heb ik altijd gemist. Mijn vader vindt het nog steeds vreemd dat ik met voetballen mijn geld verdien. Ach, zo raar is die opvatting natuurlijk niet. Hoeveel mensen vinden voetbal niet waanzin? Hij komt nu wel kijken. Toen ik bij Beveren speelde is hij drie of vier keer geweest. Woensdag zal hij ook wel op de tribune zitten. Maar hij voelt zich nooit op zijn gemak in een stadion en gaat altijd rondlopen. Toen ik onlangs met hem tijdens een lange rit in de auto zat zei hij me nog eens: "als Nederland-Joegoslavië op een zondag was gespeeld, had ik je toch ontraden mee te doen'. Ik zou zijn advies niet hebben opgevolgd. Toen ik op mijn veertiende, vijftiende nog geen lid mocht zijn van een club, ben ik gestopt met naar de kerk gaan. Je kunt je voorstellen dat dit besluit heel wat opschudding heeft veroorzaakt in de kerkelijke gemeenschap van mijn ouders. Ze kregen toch al regelmatig te horen: jouw zoon voetbalt nog steeds, hè.”

Al vroeg ging Peter van Vossen de kost verdienen. Hij leek iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken te worden. Het begon als vakkenvuller bij Jac Hermans. Maar dat was toch niet zo'n succes. “Ik moest 's avonds de boodschappenwagentjes binnenzetten. Op een dag botste ik met twintig van die karretjes op een gloednieuwe BMW cabriolet. Toen zei de winkelchef: haal jij voortaan alleen nog maar de vlaggetjes naar binnen.”

Op zeventienjarige leeftijd nam hij een baan aan als rijswerker in de duinen. Een ambacht dat rechtstreeks geschikt is voor de quiz "wat doe ik voor de kost'. “Daar waar teveel helmgras staat steek je het weg, doe je er een strop omheen en plant je het waar te weinig groeit. Na de eerste werkdag was ik zo kapot dat ik een week ben thuisgebleven. Toch heb ik dit nog een tijd gedaan.” Via onderhoudsmonteur bij de Deltawerken kwam hij in de kerncentrale van Borssele terecht. “Hier werkte ik als opperman bij de metselaars. Het was in de tijd dat ik als amateur voetbalde bij Vlissingen. Na twee jaar kon ik kiezen uit veertien aanbiedingen.”

Het werd het Belgische Beveren omdat de openhartigheid hem bij die club aansprak. “Ze zeiden meteen: je moet nog veel leren, maar we leiden je op en geven je een kans. Als je gerijpt bent, zetten we je in de etalage en verkopen we je aan een topclub.” Dat gebeurde derhalve afgelopen zomer, toen Constant Vandenstock hem persoonlijk naar Anderlecht haalde. Van Vossen noemt de Brusselse bierbrouwer een van de weinige clubvoorzitters die een goede kijk op voetbal heeft. “Ik moest bij Anderlecht voor meer agressie in de aanval zorgen. Ik werd ook geschikt geacht de kloof tussen het middenveld en de aanval te verkleinen.”

In de periode dat hij rondkwam met Anderlecht, ging het EK, waarvoor hij was geselecteerd, aan zijn neus voorbij. In de laatste thuiswedstrijd van Beveren raakte bij een botsing in zijn linkerarm een ader bekneld. “Vier dagen erna ging ik in Zierikzee op de fiets naar het ziekenhuis. Die arm was zes centimeter dikker geworden, ik leek wel een Michelin-mannetje. Mijn huisarts vreesde al dat het trombose was, maar in het ziekenhuis konden ze die diagnose niet stellen. Ik vertelde de dokter dat ik naar het EK moest en die man vroeg: "Wat is dat?' Van hem had ik dus niets te verwachten. Ik liet mijn huisarts naar Zeist bellen om te zeggen dat ik gewoon meekon naar Zweden. Maar de volgende dag werd die arm dikker en dikker. Weer naar het ziekenhuis, nu in Goes. Daar zeiden ze: "We weten niet of het trombose is, maar we zullen het wel als zodanig behandelen. Je bedje staat al klaar.' Toen dacht ik: daar gaat mijn EK. Ik heb vervolgens opname geweigerd en ben op eigen risico naar huis gegaan. De volgende ochtend moest mijn vrouw m'n arm omhoog houden, heeft zo'n oude specialist foto's genomen met contrastvloeistof en kwam aan het licht dat ik toch trombose had. Ik kon geen woord meer uitbrengen, de wereld stortte volledig voor me in. Een drama. Ik heb nog acht dagen aan een infuus gelegen en tot half juli medicijnen moeten slikken.”

Sterker dan ooit keerde hij dit seizoen terug op de Belgische voetbalvelden. Met aanvoerder Marc Degryse had hij meteen al een akkefietje. Van Vossen vond dat de international hem te vaak negeerde in de wedstrijd. “Het was niet mijn bedoeling rotzooi te trappen. Goed, je kunt je mond houden. Maar als je er wat van zegt ben je daar beiden bij gebaat. Je moet toch met elkaar die punten pakken. Bij Anderlecht waren ze niet gewend met zo'n beweeglijke spits te spelen. Nu word ik veel meer in het spel betrokken. Je kunt dit soort zaken maar beter meteen uitpraten. Tijdens Nederland-Joegoslavië speelde Kieft mij een keer te laat aan, waardoor ik in buitenspelpositie kwam te staan. Toen heb ik lopen vloeken. Jan Wouters vroeg nog vantevoren hoe ik aangespeeld wilde worden. Ik heb de neiging te vroeg diep te gaan. Nu probeer ik m'n tegenstander eerst in de breedte te ontlopen.”

Als hij speelt, staat hij volgende week tussen twee van zijn idolen: Marco van Basten en Dennis Bergkamp. “Zo'n doelpunt als Dennis zondag tegen RKC maakte, dat is toch om van te watertanden? Voordat hij die actie aanging, had hij al gezien dat de keeper te ver voor zijn doel stond en wist hij hoe hij die bal zou stiften. Als ik dat zie denk ik: "Peter, jij moet hem niet proberen na te doen. Jij hebt andere kwaliteiten.' Ik kan me een tv-uitzending herinneren van drie, vier jaar geleden waarin ik Dennis nog in de schoolbanken zag zitten. Nu heeft hij in Europa de topclub voor het uitkiezen.”

Relativeren kan Peter van Vossen als geen ander. Misschien wel omdat hij drie jaar geleden nog tussen de metselaars vertoefde en als amateur in het weekeinde vrijblijvend een balletje trapte. Daar ontbrak de concurrentiestrijd en was de sfeer onderling gemoedelijk. Daarom heeft Van Vossen het moeilijk met de situatie rondom Johnny Bosman, die door zijn komst opnieuw bij een topclub uit de boot dreigt te vallen. “Misschien ben ik wel niet geschikt voor topsport, maar ik heb met hem te doen. Johnny is een spits die afhankelijk is van anderen. In het moderne voetbal wordt het dan steeds moeilijker je te handhaven. Toch, als je hem het vertrouwen geeft maakt hij gemakkelijk vijftien tot twintig doelpunten per seizoen. Bosman heeft al ontzettend veel gepresteerd. Vergeleken met hem ben ik in feite een snotneus. We praten veel met elkaar. Voor de Europa-Cupwedstrijd tegen Hibernian wenste hij me nog succes ook. Dat getuigde van klasse. Maar wat moest ik tegen hem zeggen? Ik mag niet te veel met het geval-Bosman in mijn maag zitten. Want als je topsport wilt bedrijven, moet je over lijken gaan.”

Het interesseert Van Vossen niet of hij volgende week speelt. Dat hij bij de zestien uitverkorenen zit, geeft al hem voldoening genoeg. Maar als hij in de basis staat, zal hij alles geven. “Deze wedstrijd is van cruciaal belang. Net als een paar jaar geleden Nederland-België. Ik zal nu voor een bevestiging moeten zorgen van mijn optreden tegen Joegoslavië. Toen heb ik met veel brutaliteit gespeeld. Of ik er al van droom? Nee, dat doe je 's nachts in je bed.”

    • Erik Oudshoorn