Kinderdagverblijf: nog 102 baby's vóór u

Steeds meer moeders werken, maar waar laten ze de kinderen? De overheid probeert sinds 1990 met een speciale maatregel meer opvang voor Nederlands jongsten te creëren. De afgelopen twee jaar zijn er twintigduizend gesubsidieerde "kindplaatsen' bij gekomen, maar de wachtlijsten zijn nog lang. Binnenkort komt WVC met een evaluatierapport van de Stimuleringsmaatregel Kinderopvang, die eind dit jaar in de Tweede Kamer zal worden besproken.

De moeder van Julie heeft al zoveel ellende met particuliere kinderopvang achter de rug. De eerste oppas was goed, maar kreeg een andere baan aangeboden. De tweede ging door haar rug en de derde werd ziek om vervolgens nooit meer terug te keren. En de vierde, ach, die kon nog geen kind verzorgen.

De vierjarige Julie kijkt naar haar moeder terwijl ze haar vriendinnetje Roxanne nog eens aan het haar trekt. Achter Julie geeft Florian zijn vriendje Deniz een klap met een rijstzakje. Eerder sloeg Florian Mohammed al op zijn oog. Maar het leed is kortstondig, nauwelijks drie minuten later holt Mohammed alweer achter Julie aan.

Na alle problemen met diverse oppassers, heeft de moeder van Julie haar kinderen op kinderdagverblijf Krullevaar in Leiden weten te plaatsen. Boven, op de baby-afdeling, ligt zusje Anne te kraaien. Voor broertje Joep die al op de basisschool zit, is nog geen oplossing gevonden. De moeder heeft wel een advertentie gezet voor opvang buiten de schooluren, waar twee mannen op hebben gereageerd. “Maar om nou vreemde mannen op je kinderen te laten passen, vind ik een vervelend idee”, zegt ze.

De Nederlandse overheid bekostigt de opvang van Julie en Anne voor het grootste gedeelte. Dat is vastgelegd in de Stimuleringsmaatregel Kinderopvang, die in 1990 werd ingevoerd en geldt tot 1994. Doel van de regeling is uitbreiding van de opvang in kinderdagverblijven en gastoudergezinnen. Daartoe hoort een financiële bijdrage van het rijk aan de gemeenten.

Die rijksbijdrage is jaarlijks 5.300 gulden per "kindplaats'. Ouders betalen, afhankelijk van hun inkomen, 768 gulden tot 10.368 gulden per jaar. De kosten voor een plaats liggen al gauw tussen de vijftien en zestienduizend gulden. Daarbij draaien gemeente of werkgever op voor het verschil tussen ouder- plus rijksbijdrage en de kostprijs. Gemeenten zijn verplicht een deel van de nieuwe "kindplaatsen' voor bedrijven en instellingen te bestemmen en deze per afgenomen kindplaats een jaarlijkse korting van ten minste 2.000 gulden te geven.

Julie en Anne hebben twee van de in totaal veertigduizend kindplaatsen in Nederland. Twee jaar geleden waren dat er nog twintigduizend. In twee jaar tijd is het aantal plaatsen dus met "slechts' twintigduizend toegenomen. Daarom kunnen vraagtekens worden gezet bij de doelstelling van de overheid om tussen 1990 en 1994 49.000 extra plaatsen te creëren.

De wachtlijsten voor kinderdagverblijven zijn nog altijd lang - soms jarenlang. Wie daar niet op wil wachten kan gebruik maken van gastouderbureaus. Het aantal plaatsen bij gastouders is gestegen van 1.308 in 1989 tot 2.195 vorig jaar. Met name in kleinere gemeenten slaat deze vorm van kinderopvang aan. In Schoonhoven, bijvoorbeeld, waar vorig jaar een gastouderbureau werd opgericht. “Als het klikt met de gastouders, is dit een ideale oplossing”, meent Tony Schoemaker. Zij werkt tweeëneenhalve dag in de week en brengt haar zes maanden oude dochtertje Sarah dan naar een gastmoeder. “Het is minder anoniem en massaal dan een kinderdagverblijf. Saar kan zich hechten aan haar gastmoeder. Bovendien is dit flexibeler dan een crèche met vaste tijden. Ik kan haar desnoods een uurtje later afhalen.” De ouderlijke bijdrage voor het gastouderbureau in Schoonhoven is afhankelijk van het inkomen en bedraagt maximaal 4 gulden 83 per uur.

Wat er na het einde van de stimuleringsmaatregel in 1994 gebeurt, is onderwerp van gesprek tussen overheid en belangenorganisaties. Het ministerie van WVC komt volgende maand met een tussenevaluatie, die eind dit jaar door de Tweede Kamer wordt besproken. Hierbij zal vooral de wijze van uitvoering van de stimuleringsmaatregel ter discussie staan.

Juist die uitvoering is de afgelopen tijd onderwerp van verhitte discussies. De Nederlandse Vrouwenraad, de vakbeweging en werkgeversorganisaties keren zich tegen de huidige gang van zaken, waarbij de verantwoordelijkheid om kinderopvang te regelen bij de gemeenten ligt. De Vrouwenraad - een overkoepelend lichaam waarbij 46 organisaties zijn aangesloten variërend van de NVSH tot het Katholiek Vrouwengilde - pleit voor een landelijk fonds voor kinderopvang. “Als je het geld via gemeenten investeert, bestaat de kans dat het in de pot sociale vernieuwing terecht komt”, aldus E. Pastoors, voorzitter van de raad. “Dan kunnen ze er lantaarnpalen mee financieren in plaats van kindplaatsen.”

Op hun beurt stuurden centrale werknemers- en werkgeversorganisaties, verenigd in de Stichting van de Arbeid, onlangs een boze brief naar minister d'Ancona (WVC). Daarin pleitten zij er voor de gemeenten na 1993 een minder belangrijke rol te laten spelen in de verdeling van het geld. Beide partijen maken zich kwaad over het feit dat de gemeenten "slechts' 2.000 van de 5.300 gulden rijkssubsidie doorsluizen. Met het restant zou opvang worden gefinancierd voor kinderen van niet werkende ouders of van moeders wier werkgever weigert te betalen.

Projectleider kinderopvang A. Pelzer van de FNV: “Het onderscheid tussen gemeenten en bedrijven moet worden afgeschaft. Iedereen die een kindplaats huurt, moet eenzelfde premie krijgen, of het nu de gemeente of een bedrijf is.”

“We zijn het - gek genoeg - helemaal eens met de vakbeweging”, aldus mr. J.W. van den Braak, secretaris arbeidsvoorwaarden van de Vereniging van Nederlandse Ondernemers. “We willen in de eerste plaats dat de gelden voor kinderopvang veilig worden gesteld, ook na 1994. Bovendien willen we dat het geld via een landelijke regeling wordt besteed en niet regionaal of via de gemeenten.”

Daarentegen wil de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat het geld en de verantwoordelijkheid voor kinderopvang bij de gemeenten blijft. “Gemeenten kunnen maatwerk leveren, in samenwerking met werkgevers en werknemers”, meent VNG-directeur drs. F.A.M. Kerckhaert. “Als je kinderopvang landelijk regelt, is er te weinig ruimte voor diversiteit.” Het gevaar dat gemeenten zullen investeren in lantaarnpalen in plaats van in kinderopvang, wijst hij van de hand. “Je moet vertrouwen hebben in de werking van de democratie.”

Dat die "democratie' niet overal volgens wens verloopt, heeft de gemeente Rotterdam duidelijk gemaakt. Begin september voerde de gemeente een toelatingsbeleid in waarbij gesubsidieerde kinderopvang niet meer bestemd is voor de werkende ouder. “Kinderopvang is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders, werkgevers en overheid. Maar de werkgever neemt zijn verantwoordelijkheid niet”, aldus een woordvoerder van de gemeente. Van de zeventienhonderd gesubsidieerde "kindplaatsen' in Rotterdam, gaat zeventig procent naar kinderen van werkende ouders. De gemeente wil dit terugbrengen naar dertig procent. Daarom komen voortaan alleen ouders die een studie volgen om hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren en ouders met medisch of sociaal attest in aanmerking. Volgens VNG-directeur Kerckhaert is het niet onwaarschijnlijk dat andere grote steden met veel bedrijven het voorbeeld van Rotterdam zullen volgen.

Op het kinderdagverblijf van Julie en Anne in Leiden heerst de omgekeerde wereld. Hier hebben grote bedrijven - die overigens honderd procent voorrang genieten - veel plaatsen ingekocht. “Advocaten- en Shell-kindertjes” kwalificeren de leidsters het kroost. Wie de pech heeft een weigerachtige baas te treffen, komt op de "reguliere' wachtlijst. Dan heb je bij Krullevaar nog 102 wachtende baby's voor je. Coördinatrice C. Kuit wil geen termijnen meer noemen. “Vroeger zei ik dat de wachttijd één tot anderhalf jaar bedroeg. Nu wil ik geen valse hoop meer wekken.” Ze erkent dat een kinderdagverblijf met veel bedrijfsplaatsen een elitaire aangelegenheid dreigt te worden. Kinderen van ouders die studeren of in kleinere bedrijven werken, vallen tussen wal en schip.

Ook ouders in kleine gemeenten zijn vaak de dupe van het gebrek aan kinderdagverblijven. Soms kunnen ze terecht bij een gastouderbureau. Marijke Voorips, die met haar man een eigen bedrijf heeft, werkte voor de komst van zo'n bureau thuis, vooral in de avonduren. Een dag in de week kwamen haar ouders om te passen op de kinderen van vier, zes, negen en negentien jaar. De twee jongsten gaan sinds kort tussen de middag en na schooltijd naar een gastgezin. “En dat werkt goed”, vindt ze. Ze heeft nooit overwogen om te stoppen met werken. “Dat kan niet, de administratie op de zaak moet gewoon gebeuren”. Maar de combinatie van baan en kinderen valt haar zwaar. “'s Morgens, voor ik naar de zaak ga, breng ik de kinderen naar school. Ik werk tot half zes, doe boodschappen en haal de twee jongsten op. Als ik bekaf thuis kom, moet ik de kinderen voeden, wassen en in bed stoppen. Soms denk ik: "de organisatie van kinderopvang is vermoeiender dan mijn werk'.”