Indonesië blijft bij afwijzing van hulp door Nederland

DEN HAAG, 7 OKT. De Indonesische ambassadeur in Den Haag heeft in brieven aan het kabinet en aan Tweede-Kamerleden geprobeerd de indruk weg te nemen dat zijn land “via een achterdeur” toch weer ontwikkelingshulp van Nederland zou willen ontvangen. In de brief die ambassadeur prof. B. Tjokroamidjojo ter "verheldering' heeft geschreven, staat dat Indonesië “nimmermeer ("not ever') Nederlandse hulp zou wensen te ontvangen. De regering van de Republiek Indonesië heeft Nederlandse hulp in elke vorm afgewezen”.

In Jakarta zou “zeer geïrriteerd” zijn gereageerd op de interpretatie dat Indonesië toch weer geld van Nederland zou willen ontvangen. Ambassadeur Tjokroamidjojo kreeg van het kabinet van president Soeharto rechtstreeks de opdracht om deze kwestie op te helderen tegenover Nederlandse politici.

De brief van de ambassade is volgt op berichtgeving over en de reacties in Nederland op een gesprek dat minister Ritzen van onderwijs op 18 september in Jakarta met president Soeharto had. In dat onderhoud wees Soeharto de minister op de mogelijkheid voor Nederland om ontwikkelingsgeld ter beschikking te stellen aan minder rijke Derde-wereldlanden, in het bijzonder in Afrika, opdat deze met dat geld kennis en ervaring kunnen kopen van Indonesië.

Indonesië verbrak op 25 maart de ontwikkelingsrelatie met Nederland uit irritatie over de “roekeloze wijze” waarop Nederland zijn ontwikkelingshulp had gebruikt “als instrument van intimidatie en bedreiging”. Minister Pronk kreeg na dit besluit in de Tweede Kamer zware kritiek wegens zijn opstelling ten aanzien van de mensenrechten in Indonesië. Pronk heeft sindsdien geen contact gehad met de Indonesische ambassadeur in Den Haag. Wel is er overleg geweest met zijn chef van de Directie Ontwikkelingssamenwerking, drs. G.T. Arnold.

Pag.2: Geld voor Indonesië via andere landen

Door zowel minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking als in het parlement werd op dat overleg positief gereageerd; het aanbod werd gezien als een mogelijkheid langs een omweg, toch de ontwikkelingsrelatie met Indonesië te kunnen voortzetten. Niettemin vond minister Pronk dat het verzoek “op gespannen voet” stond met het besluit van Indonesië om de ontwikkelingsrelatie met Nederland te verbreken.

Volgens ambassadeur Tjokroamidjojo ging het echter niet om een verzoek maar om een “suggestie” van de president aan de Nederlandse regering “om in overweging te nemen de Nederlandse hulp die bestemd was voor Indonesië nu aan de zuidelijke landen te geven in het kader van Zuid-Zuid samenwerking. Het betekent niet dat Indonesië weer hulp van Nederland zou willen ontvangen.”

President Soeharto, aldus ambassadeur Tjokroamidjojo, heeft op 18 september tegenover minister Ritzen duidelijk willen maken dat Indonesië niet de hechte historische band met Nederland wil verbreken, maar dat de relatie van hulp een relatie van samenwerking is geworden. Met het voor Indonesië bestemde geld zou Nederland projecten van derde landen met Indonesië kunnen financieren. Als voorbeeld noemt de ambassadeur een gezinsplanningsproject in Senegal. “Als grotendeels islamitisch land heeft Senegal bijzondere problemen met geboorteplanning. Wij hebben daar als islamitisch land zeer veel ervaring mee en ook veel succes mee geboekt.”

Het verschil met hulp uit andere landen is, dat Nederland dit project eventueel zou kunnen steunen door geld aan Senegal te geven, niet aan Indonesië dus, terwijl Duitsland een soortgelijk project via Indonesië zou kunnen financieren. “Van Nederland willen wij geen geld meer.” Dat is mede het gevolg, aldus prof. Tjokroamidjojo, van het feit dat Nederland “ons van alle landen ter wereld verreweg het hardst heeft gestraft voor de gebeurtenissen op Oost-Timor. Als enige land accepteerde het ook niet het rapport van de speciale onderzoekscommissie, als enige schortte het de hulp aan Indonesië op en als enige stelde het een bezoek van een parlementaire delegatie uit”. De relatie tussen Nederland en Indonesië was in haar geheel “te asymetrisch” geworden, in de ogen van de Indonesiërs.

Niettemin moet men het gebeurde slechts zien als een “kiezelsteentje” op de weg in de relatie tussen beide landen, aldus de ambassadeur. De hechte band blijft bestaan, maar wel een band van gelijkwaardige partners, een band “die niet meer wordt bepaald door een soort houding van sommige Hollanders tegenover Indonesië, die ik nauwelijks kan beschrijven, maar die ons soms zeer irriteert”.

De ambassadeur heeft sinds op 25 maart de relatie werd verbroken, veel brieven met steunbetuigingen van Nederlanders ontvangen. Daarbij waren ook een aantal van oud-soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL), die het verbreken van de hulprelatie door Jakarta een juiste beslissing vonden en die zich afzetten tegen een houding in Nederland om Indonesië als partner niet als gelijkwaardig te beschouwen.

Nederland blijft voor Indonesië de poort naar de Europese Gemeenschap, naar Europa, aldus de ambassadeur. In de eerste vijf maanden van dit jaar was de Indonesische export naar Nederland 21 procent hoger dan in de vergelijkbare periode van vorig jaar. “Deze sterke stijging bewijst dat de relaties tussen Nederland en Indonesië zelfs nog zijn versterkt, ondanks de verbreking van de hulprelatie.”

Op een vraag aan ambassadeur Tjokroamidjojo of president Soeharto binnen de huidige verhoudingen tussen de beide landen een bezoek aan Nederland zou kunnen brengen, antwoordt hij met een onomwonden "ja'. Protocollair is het, gezien het bezoek van Soeharto in augustus 1970 aan Nederland nodig, dat koningin Beatrix eerst een staatsbezoek aan Indonesië aflegt. Bekend is, dat de koningin dit ook graag zo spoedig mogelijk zou doen, waarbij aan het komende kalenderjaar wordt gedacht. Als bewijs voor de goede relatie met Nederland wijst prof. Tjokroamidjojo op de op 31 oktober door de koningin in Rotterdam te openen tentoonstelling "Hofcultuur in Indonesië'.

    • Rob Meines