Fressen und Moral

Eerst komt het vreten, en of de moraal volgt is maar de vraag. Zie Duitsland. Nooit in de geschiedenis heeft één volk het met z'n zovelen en tegelijkertijd zo goed gehad, nooit heeft één volk zo van hoog tot laag kunnen rekenen op zulke verleidelijke vooruitzichten, en de moraal is zoek.

Moraal, dunkt me, heeft alleen een beetje kans om te gedijen in een klimaat van schaarste, de buikriem aanhalen en van onderop beginnen. Zodra de mergpijp op het vuur staat en iedereen zeker is van zijn basisbouillon, verwelkt ze. Zie, opnieuw, Duitsland. In de jaren vijftig hadden de Westduitsers de mond vol van zelfbezinning, offers en wereldburgerschap. In de jaren negentig vreten ze en haten ze.

De Oostduitsers zijn met hun volle gewicht in de Duitse vetoogjes gevallen. Ze hebben de Westduitse moraaloprispingen van na 1945 overgeslagen, ze hebben hun fascistische winterslaap met bijna een halve eeuw verlengd gekregen, en ineens, van de ene dag op de andere, maken ze deel uit van een maatschappij van schrokhalzen die maling hebben aan offers en tolerantie. Er treedt hun geen moraal tegemoet. Dus zijn ze in de war.

Ze zijn nog niet rijk, maar hoeven ook niet van onderop te beginnen. De basis is er. Ze verlangen naar méér Fressen, en er is geen plaats in hun maag, geen tijd op hun kalender voor eigen moraaloprispingen. Dus zijn ze dubbel in de war.

Nee, meer dan een apologie van dieven en rovers, mits tot de arbeidersklasse behorend, stelde de kreet van Bertolt Brecht niet voor. Welvaart is zó funest voor de moraal dat al de eerste voorboden ervan de rede en de offerbereidheid knock-out slaan. Geen ontevredener en rancuneuzer mens dan de mens die aan de welvaart geroken heeft en verzocht wordt nog even te wachten op de complete bedwelming.

Stel u een volk van arme en vrolijke dansers voor. Daar komt de welvaart aangeslopen. Men neemt een baan en koopt zijn eerste autootje, men verlaat zijn krot en neemt een hypotheek. Dan volgt een recessie, een oliecrisis. Het autootje blijft voor de deur staan, want de benzine is te duur. De baan wordt bedreigd, en men siddert voor de hypotheekaflossing. Zelden zal men een volk met sjagrijniger koppen zien. Niet de welvaart maakt ontevreden, maar de gefnuikte verwachting van méér.

De Duitsers herinneren zich zelfs niet ooit een volk van vrolijke dansers te zijn geweest. Alle rancune is er rancuneuzer, alle ontevredenheid ontevredener. Westduitsers kunnen Oostduitsers geen moraal aanpraten, want de meeste Westduitsers zijn die zélf vergeten; voor zover een Westduitser nog wel over iets moraalachtigs beschikt, prakkezeert de Oostduitser er niet over zich zoiets te laten aanpraten; en zo zien we het opnieuw, op z'n ouderwets Grootduits, gisten van vreemdelingenhaat, rassenrellen en neo-fascisme.

Tot vervelens toe verklaren Duitse sociologen ons de vreemdelingenhaat van hun landgenoten, met de suggestieve ondertoon dat alles wat begrijpelijk is, ook vergeeflijk is. Maar Duitse angsten en frustraties zijn niet begrijpelijk, ze zijn Duits. Van Duitse politici horen we dat in de overige landen van Europa het racisme niet minder gruwelijk huishoudt, wat zou moeten gelden als een verzachtende omstandigheid voor de Duitsers. Maar wij buitenlanders vertonen ook hier weer de eigenaardige reflex dat als hypocriete kletskoek te beschouwen.

Eigenaardig, inderdaad, dat we bij de Franse rassenrellen altijd denken aan een deel van de Franse bevolking, aan een verticale doorsnede, en bij de Duitse rassenrellen altijd aan een deel van de Duitse psyche, aan een horizontale doorsnede. Eigenaardig, maar onontkoombaar.

Of, anders gezegd: in Frankrijk (of, wat dat betreft, Engeland, Nederland) zijn we bereid racistische rellen te beschouwen als incidenten, en fascisten als een geïsoleerde groep, terwijl we er in Duitsland iedere Duitser op blijven aankijken.

Misschien ook weer niet zo eigenaardig, misschien is het de moraal van de eeuw.

    • Gerrit Komrij