Een radicale ongeest

DUITSE JUBILEA hielden de afgelopen dagen ook de buren bezig. Twee jaar Duitse eenheid, tien jaar kanselier Helmut Kohl. En het was, zaterdag, vijftig jaar geleden dat de voorloper van het vernietigingswapen V-2 werd gelanceerd, wat een (aangebleven) staatssecretaris en de Duitse lucht- en ruimtevaart pijnlijk onbekommerd als wetenschappelijke gebeurtenis hadden willen vieren.

Voorts was het een jaar geleden dat walgelijke beelden van rassenrellen voor een decor van applaudisserende toeschouwers uit het Saksische plaatsje Hoyerswerda over de wereld gingen. En een maand geleden dat zulke beelden uit de Oostduitse havenstad Rostock kwamen. Beelden trouwens die niet naar hun aard maar naar de omvang van het geweld extra opvielen in de ellendige reeks van dagelijkse aanvallen op asielzoekers en andere buitenlanders.

Tussen "Rostock' en de officiële viering, in Schwerin, van twee jaar Duitse eenheid lijkt de schok van de brandstichting in de “joodse barak” in het vroegere concentratiekamp Sachsenhausen een alarmfunctie te hebben gehad. Dat geldt niet alleen voor "de politici' maar ook voor een groot deel van de Duitse bevolking, die zich nu blijkens vele demonstraties tegen vreemdelingenhaat en antisemitisme eindelijk lijkt te gaan realiseren dat er méér aan de hand is, en méér op het spel staat, dan zij graag had gedacht. Ja, die zich nu toch lijkt te realiseren dat de democratie zich niet alleen tegen extreem rechts kan weren door de asielwetgeving naar Europese maat te wijzigen, de politie te versterken of de strafwet te verscherpen.

TOT EIND september waren er dit jaar in Duitsland al 1.296 geregistreerde aanslagen op buitenlanders, het aantal rechtsradicalen wordt geschat op 40.000, van wie een 4.400 neonazi's. In Dresden, maar ook elders, trokken rechtsradicalen zaterdag met haatparolen demonstrerend over straat. Zichtbaar en hoorbaar en als het ware als deel van een ogenschijnlijke, snel gegroeide Duitse "normaliteit'. Een nieuw gevaarlijk risico, met een macabere historische lading, is dat extreem rechts en extreem links elkaar de heerschappij op straat gaan betwisten. Een permanente veldslag van ondemocraten terwijl de "zwijgende meerderheid' zich achter gesloten deuren terugtrekt doemt op als benauwend perspectief.

Het is dus niet overdreven om te zeggen dat de verenigde Duitsers voor een vuurproef staan. De Westduitsers zullen moeten aanvaarden dat zij grote en langdurige offers, en niet alleen financiële, zullen moeten brengen om de "echte' eenheid van hun land tot stand te brengen. De Oostduitsers zullen ondanks hun economische en psychologische misère vertrouwen in de democratie moeten bewaren of herwinnen. De politici in Bonn en in de deelstaten alsook het bedrijfsleven moeten, bijvoorbeeld over de noodzaak van offers, veel duidelijker worden. De politici moeten, ruim een jaar na Hoyerswerda, de radicale ongeest te lijf met méér dan verbale verklaringen of verwijzingen naar (inderdaad) nieuwe en grote problemen.

De Bondsrepubliek is vaak een “mooi-weerdemocratie” genoemd. Op het spel staat nu ook of, en in hoeverre, dat waar was en is. Die vraag is voor heel Europa belangrijk en Duitslands buren kunnen het zich bij het zoeken naar een antwoord beter niet te makkelijk maken.