Duitse expressionisten in twee musea

Tentoonstellingen: Expressionisme en Westfalen, Werken uit de collectie van het Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Münster, t/m 19 okt. in het Nijmeegs Museum De Commanderie van Sint Jan, Franse Plaats, Nijmegen, ma-za 10-17 u, zo 13-17u. Wilhelm Morgner, een Duits expressionist 1891-1917, werken uit de verzameling van het Wilhelm Morgnerhuis in Soest (Duitsland), t/m 31 okt. in het Stedelijk Museum Kampen, Oudestraat 158, Kampen (05202-17361), di-za 11-12.30u en 13.30-17u.

Twee jaar geleden organiseerde het Landesmuseum in Münster een grote tentoonstelling getiteld Der Expressionismus und Westfalen. Een selectie daaruit is nu te zien in het Nijmeegs Museum De Commanderie van Sint Jan in het kader van een uitwisselingsproject van museumcollecties uit de provincie Gelderland en de aangrenzende Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen. De tentoonstelling toont aan de hand van ruim zestig werken van twaalf Duitse kunstenaars aan dat het expressionisme in Westfalen tussen 1900 en 1925 een niet uit te vlakken stroming is geweest. De tentoonstelling is tevens het bewijs van de stelling dat nationalisme, in dit geval met betrekking tot een deelstaat, wellicht politiek goed kan liggen maar artistiek gezien niet de beste invalshoek is voor een (evenwichtige) tentoonstelling. Want wat hebben zulke uiteenlopende kunstenaars als Josef Albers, Otto Modersohn, Eberhard Viegener, August Macke, Wilhelm Morgner of Christian Rohlfs met elkaar gemeen behalve dat ze korte of lange tijd in Westfalen woonden? Een zekere mate van expressionisme, maar daarmee is dan ook alles gezegd.

De tentoonstelling heeft dan ook even weinig afstand en zegt even weinig over een stroming of een tijdperk als wanneer het een groepstentoonstelling uit pakweg 1920 betrof, waar bij wijze van spreken de verf nog nat is. Maar het ontbreken van een kunsthistorisch kader is dan ook mijn enige kritiek, want verder zijn dit soort uitwisselingen van museumcollecties toe te juichen, omdat ze de musea levendig houden en de vaste opstellingen in beweging.

Tot de sterkste figuren op de tentoonstelling hoort Bernhard Pankok, wiens zelfbewuste zelfportret uit 1898 - bijna Scandinavisch van toets en opvatting - de toeschouwer direct bij binnenkomst vrijmoedig aankijkt. Het werk van Pankok, die in Westfalen geboren werd en carrière maakte in München, ademt duidelijk dezelfde internationale sfeer als dat van zijn buurvrouw op deze tentoonstelling, Ida Gerhardi. Haar Bal Bullier (Grosses Pariser Tanzstück) uit 1905 laat dezelfde persoonlijke overgang van het impressionisme naar het expressionisme zien als bij haar in Parijs werkende tijdgenoten.

Interessant zijn de zeven werken op papier van Josef Albers uit de periode 1914-1917, die nog figuratief zijn. Vooral de litho's van zandgroeves leveren een sterk geabstraheerd beeld op met interessante structuren. De goed herkenbare arbeidershuisjes uit 1917 daarentegen zijn veel subtieler van aanpak en zeer unheimisch, wat wordt bevestigd door hun ondertitel: Leeres Ende. Een van de beste schilderijen op de tentoonstelling is Häuser in Soest (1919), waarmee Soest in Westfalen wordt bedoeld, een bijna klassiek expressionistisch landschap met zwarte contouren en intense rode kleuren, dat van De Vlaminck zou kunnen zijn.

Tot slot een andere ”echte' Westfaler, de door Van Gogh geraakte Wilhelm Morgner. Na een periode van experimenteren met de zinderende toets raakte hij in een overgangsfase naar de complete abstractie, die weer sterk aan Kandinsky doet denken. Veel verder gaat zijn ontwikkeling niet, want hij stierf in 1917 aan het front. De elf werken van Morgner in Nijmegen komen uit het Landesmuseum in Münster. Het Stedelijk Museum in Kampen leende een collectie werken van hem uit het Wilhelm Morgnerhuis in Soest, waaruit onder meer blijkt hoezeer Morgner in zijn korte leven ook door het thema van het lijden van Christus werd genspireerd.