De litanie democratie

In een korte beschouwing over de verdiensten en tekortkomingen van het landsbestuur komt J.H.J. van de Heuvel, hoogleraar aan de Vrije Universiteit tot de conclusie dat Nederland in "politieke welvaart als nooit tevoren' verkeert.

De burger en zijn regering deugen. “De samenleving als geheel genomen is zo betrokken, geïnteresseerd en voorspelbaar dat zij een stabiele politieke regeringsmacht mogelijk maakt.” Twee dagen eerder had J.W. Oerlemans, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in een uitvoerig essay betoogd dat niet alleen de Nederlandse maar in het algemeen de Westerse democratie leeft in de waan dat het hier en daar weleens mis kan gaan maar dat tenslotte de redelijkheid triomfeert. Deze “redelijkheidswaan die het politieke toneel meer dan ooit lijkt te beheersen, heeft de politiek inmiddels veranderd in een waanzinnige rekensom”.

Van den Heuvel verwijt de kritici van onze democratie dat ze niet verder komen dan “een litanie van klachten”. Oerlemans geeft een opsomming van die klachten en voegt daaraan toe dat “er altijd weer min of meer sluitende rekensommen ter tafel worden gebracht waarmee elke absurditeit kan worden rechtgerekend”.

Van den Heuvel verwijt de Nederlandse kritici, in het bijzonder de intellectuelen, dat ze het geheel uit het oog hebben verloren en zich meer moeten bezighouden met "ethiek en verantwoording', waarbij hij Bolkestein en Hirsch Ballin ten voorbeeld stelt. Oerlemans registreert bij de burgerij een gebrek aan vrijheidsverlangen, een “beschamende lijdzaamheid”. Zoals hij anderhalf jaar eerder al had betoogd, vindt hij ook nu dat het partijsysteem moet worden herzien opdat de keuzevrijheid wordt hersteld. “De burger zal (...) een inventarisatie moeten maken van alle wetten, regels, voorschriften en andere lasten die in strijd zijn met zijn constitutionele vrijheidsrechten en die een aantasting vormen van zijn persoonlijke levenssfeer en waardigheid.”

Beide hooggeleerden hebben hun beschouwing een hecht doortimmerd aanzien gegeven. Ik besef dat ik in deze samenvattingen menig argument verwaarloos, daardoor de schrijvers onrecht en het reclamedevies van deze krant geweld aandoe. Maar het gaat me niet om de nuance. Het gaat om de tegenstelling die hier zo mooi zichtbaar wordt; ik neem aan bij toeval, want de heren noemen of bestrijden elkaar niet.

De strekking bij Oerlemans is dat de burger door het partijsysteem en de bureaucratie zich zijn vrijheid laat afnemen. Hij is het lijdzaam slachtoffer van structurele mankementen. Hij heeft niets te verliezen dan zijn postmoderne ketens.

Van den Heuvel zegt dat hij niet zo moet jammeren over de conjuncturele “rimpels die hier en daar aan de oppervlakte treden”. Hij moet zijn zegeningen tellen en na ethisch zelfonderzoek zich beraden over de politieke moraal waaraan het beleid van de overheid dient te worden getoetst. Dan gaat het om “de maatschappelijke gelijkheid en persoonlijke vrijheid, de actieradius van de grondrechten, sociale verantwoordelijkheid en criminaliteit” en nog een aantal uiteinden van de dilemma's waartussen het beleid heen en weer wordt geslingerd.

Oerlemans gaat uit van de onversneden vrijheidsnorm, is praktisch, baseert zich op de empirie van het dagelijks leven en stelt vast dat de overheid de vrijheid bedreigt. Van den Heuvel concentreert zich op het nonchalant omspringen met de politieke filosofie waardoor de plaats van de overheid op langere termijn vaag en onzeker wordt, en bagatelliseert de vrijheidsbedreiging. Over zijn persoonlijke keuze in de gesignaleerde dilemma's laat hij zich niet uit.

Gaat het om een principieel meningsverschil of om een andere volgorde van prioriteiten? Mijn conclusie is dat de prioriteiten van beide heren zo ver van elkaar verwijderd zijn ("politieke welvaart' tegen "de beschamende lijdzaamheid waarmee men dit eenheidsbewind tot nu toe heeft verdragen'), dat ze principieel tegenstanders zijn.

Graag schaar ik me aan de kant van J.W. Oerlemans. Onder en naast onze "consensusdemocratie' waarmee menig politicus zichzelf zo nu en dan feliciteert, gebeuren heel andere dingen, variërend van permanente misstand tot schandaal. Tot het wezen van de democratie hoort dat de burger daarover niet alleen klaagt maar zich permanent verzet, en ook dat de overheid daarnaar luistert en er iets aan doet. Een litaniedemocratie is beter dan een consensusdemocratie als tenminste de klacht op den duur effect heeft. Daarbij gaat het niet om "oprukkend straatvuil' maar om "beheersing in plaats van bestrijding van de criminaliteit', de sluipende collectivisering van de burgerij via een ontoegankelijke bureaucratie, een "experimentele' afbraak van het onderwijs of gedoe met "sociale dienstplicht'. Over de plaats van de overheid in dergelijke zaken hoeft geen twijfel te bestaan, geen morele of ethische discussie te worden gevoerd.

Klacht plus gehoor plus gevolg is een democratische formule. Om zich daarvoor ontvankelijk te maken dient het bolwerk van partij, bestuur en loket zijn door de jaren verworven verschansing prijs te geven. Het is absurd dat de overheid de burgerij het goede voorbeeld gaat geven. De essentie van het goede voorbeeld is dat het gegeven wordt door mensen die ten onrechte vinden dat ze het zijn, aan anderen die òf niet in staat zijn het te volgen, òf het sowieso aan hun laars lappen.

De troost voor de Nederlandse burger die zich verzet is dat hij de enige niet is. Overal in de politieke beschaving van het Westen botst het individu tegen een front van partijapparaat en bureaucratie. Niet de burger moet daarin zijn plaats weten. De overheden moeten een toontje lager zingen en de politici moeten doen waarvoor ze zijn gekozen.

    • H.J.A. Hofland