"Ze is alles kwijt, alles is met het vliegtuig mee'

AMSTERDAM, 6 OKT. Het is inmiddels de zesde keer dat ze in het opvangcentrum komt zoeken. Langzaam schudt ze haar zwarte krullen. Niets, weer niets. Haar vriendinnen staan dicht om haar heen. Al sinds gisteravond is het meisje op zoek naar haar vader. Hij woonde in Kruitberg, je weet wel, in dat ene deel. Zelf woont ze bij haar moeder, haar ouders zijn gescheiden. Overal is ze geweest om te kijken, maar ze geeft het zoeken niet op: “Hij is mijn eigen vlees en bloed. Zolang ik hem niet heb gevonden geef ik niets op.”

Het is de dag van het eerste verwerken, het zoeken, maar ook van de hoop die blijft bestaan zolang de schattingen van meer dan 250 slachtoffers nog geen namen hebben. Geen getallen, geen zekerheid. “Het is misschien wel goed zo”, zegt de vriendin van het meisje. “Als je blijft zoeken blijf je hopen”. Een andere vrouw komt door de deuren naar buiten. Ze bijt op haar lippen. “Het zijn de twee kinderen van mijn vriendin”, zegt ze. Verder wil ze niet praten. Snel loopt ze door, langs zoemende camera's, klikkende fototoestellen en al die anderen met hun blikken en vragen.

Voor de deuren van de Bijlmer Sporthal, waar het opvangcentrum voor de slachtoffers en de familie van de vliegramp is ingericht, heeft zich de hele wereldpers verzameld. Elk donker gezicht, Surinaams of Ghanees, wordt meteen bestormd. Voor de vierde keer, nu voor de Zweedse tv, vertelt een Surinaamse jongeman hoe zijn vrouw zondagavond “midden in dat ding zat” toen ze op bezoek was bij een vriendin. “Boemm”. Met zijn handen probeert hij er iets van te beschrijven. “We staan hier ook om te kijken of we bekenden zien”, vertelt zijn vriend. “Het raakt alle Surinamers. Iedereen heeft daar wel familie of kennissen wonen. Ik weet niet wat het is dat ons gebeurt: Eerst hadden we dat ding met dat SLM-toestel in Paramaribo, en nu dit. Weer een vliegtuig.”

Het Leger des Heils draagt pannen soep naar binnen. En luiers en snoepgoed en koffie en broodjes. Vrouwen met in hun armen zakken met kleren. Op de verende vloer van drie basketbalvelden probeert hulpverlenend Nederland de eerste nood te lenigen. Er staan bedden, plastic stoelen, en etenswaren. In een hoek zijn een paar telefoons ingericht waarvandaan mensen hun familie kunnen bellen. Een lange rij wacht op zijn beurt. Een meisje met schitterend golfjeshaar kijkt de ruimte in zonder te zien. Haar vader is dood, haar broer ook. Ze probeert nu haar moeder in Ghana te bellen. Uit haar ogen druppen tranen. Stilletjes, zonder geluid.

In kleine groepjes zitten de mensen bijeen. Soms wordt er gepraat. Maar velen staren zwijgend de hal in, alsof op hun netvlies andere beelden zijn. Een vrouw vertelt dat ze langs is gekomen om even te praten. Vanuit haar keukenraam had ze alles gezien. De inslag, het schreeuwen, de mensen die sprongen. Toen had ze haar ogen dicht gedaan. Vandaag was ze gaan werken. Maar toen ze vanavond wilde gaan koken, zag ze opeens weer dat rokende gat. “Deze nachtmerrie is echt”, zegt ze nu. “Al die vrouwen met hun kinderen. Het is een vrouwentragedie”. Ook anderen hebben de indruk dat veel vrouwen en kinderen getroffen zijn. Surinaamse, Antilliaanse, en Nederlandse alleenstaande moeders die in de flats met hun kinderen woonden. De meeste flats waren immers vijfkamerwoningen. Betaalbare grote woningen. Ideaal voor bijstandsmoeders.

Medewerkers van het Rode Kruis geven eten aan de kinderen die op kleine fietsjes en driewielers tussen de mensen rondrijden. Mensen proberen elkaar te helpen bij het zoeken naar de vermisten. “Die zevende etage ken ik helemaal, vanaf de lift”, stelt een vrouw een zoekend familielid gerust. Elke dag ging ze er bij haar zus op bezoek. Ze somt op: “Er was een Pakistaanse familie, daarnaast twee Antillianen, maar geen Surinamers. Nee, op dat stuk zaten geen Surinamers”.

Elke gemeenschap heeft zijn hoek. Pastores en andere geestelijken van diverse getroffen gemeenschappen helpen er met de geestelijke opvang. Onder het bordje "Ghana' zit een zwangere vrouw. “Ze is alles kwijt. Alles is met het vliegtuig mee”, vertelt een Surinaamse vrouw die eigenlijk voor een eigen kennis kwam, maar zich nu met haar bezig houdt. De Ghanese is negen maanden zwanger. Op handen en voeten is ze langs de muren, vanaf de vierde etage het brandende gebouw uitgeklommen. “Dat kind gaat heel erg leven, hoor”, zegt de Surinaamse en lacht.