Wie op vreemdeling scheldt niet per se racist

Op 28 september hield staatssecretaris van justitie, mr. A. Kosto, in De Rode Hoed in Amsterdam een lezing over de problemen en perspectieven van de multiculturele samenleving die Nederland is geworden. Hieronder fragmenten uit deze lezing.

Nederland is minder bleek en minder saai. Dat is een positieve ontwikkeling. Toch is er sprake van een uiteenlopende belangstelling voor migranten als blijvende medeburgers. Waren vijftien jaar geleden "gastarbeider' en "Turk' scheldwoorden, nu staat de "asielzoeker' centraal en lijkt "buitenlander' of ook wel "allochtoon' een woord waarmee onwelwillendheid wordt uitgedrukt. Deze negatieve associatie leidt er toe dat blokkades worden opgeworpen om een bepaalde term te gebruiken, dan wel een bepaalde problematiek aan de orde te stellen. Vandaar dat vaak omfloerst wordt gesproken, ook op politiek niveau, wanneer het gaat om mensen van een vreemde herkomst.

Zo terughoudend als men, vooral in linkse kring, is om bepaalde aanduidingen te gebruiken, zo gemakkelijk gaat men om met andere woorden. "Racisme' is zo'n term. De geschiedenis van deze eeuw heeft ruimschoots bewezen, zowel in Europa als elders, hoe het verfoeilijke denken in meer- en minderwaarde van menselijke rassen, heeft geleid tot pogingen bepaalde volkeren of bevolkingsgroepen uit te roeien. Racisme leidt tot geweld en uiteindelijk tot moord, tot genocide. Het is onze dure plicht om alert te blijven op alle tekenen die in die richting wijzen. Aan deze zware geladenheid van het begrip "racisme' kleeft een bezwaar. Het al te snelle gebruik van het woord racisme werkt vaak als dooddoener voor discussies die dringend moeten worden gevoerd en voor beleid dat tot stand moet worden gebracht. Het leven van alledag bewijst dit keer op keer.

Als een oorspronkelijke bewoner van een oude grote-stadswijk, in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag of Arnhem, zijn buurt radicaal ziet veranderen door de komst van vele vreemdelingen met een volstrekt andere cultuur, dan kan hij in de knel komen. Vaak is hij een achterblijver. Een verliezer die er niet in is geslaagd maatschappelijk hoger op te komen, te verhuizen naar een "overloopgemeente' of naar een betere buurt. Hij heeft de medebuurtbewoners, die met elkaar vaak enkele generaties lang gezelligheid en veiligheid garandeerden binnen een buurtidentiteit, zien verdwijnen. Nu worden de vertrouwde huizen, waar ooit ooms en tantes, grootouders, broers, zusters of schoolvriendjes woonden, in hun inmiddels vervallen staat bewoond door vreemdelingen. Mensen die de oorspronkelijke buurtbewoner niet kent, niet verstaat en niet begrijpt. Mensen die opgaan in hun eigen sociale contacten, waarbinnen naar zijn gevoel voor hem geen plaats is. Zomin als in de buurtwinkel, die in andere handen is overgegaan en waar je niet meer kan kopen wat je nodig hebt, omdat het assortiment voor een andere keuken is samengesteld.

Daarbij komt, in de uitgewoonde buurt, maar dichterbevolkt dan ooit, het lawaai van de jeugd, het kraken, het drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit en onveiligheid. Dan komt zo'n buurtbewoner in de knel. Als hij daaraan uiting geeft door zich negatief uit te laten over zijn buurtgenoten, door scheldend te verwijzen naar hun huidskleur, hun Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse herkomst, dan is het fout zo iemand direct een racist te noemen.

In de meeste gevallen is hij dat niet. Het zware woord ligt als een molensteen op wat grote problemen zijn: de eenzijdige druk van de aanwezigheid van vreemdelingen in de oude buurten en hun niet of gebrekkig integreren in onze samenleving. Het snelle gebruik van het woord "racist', gepaard gaande met de hevige blijken van afkeer daarvan, isoleert de Nederlandse bewoners aan de sociale onderkant van de maatschappij. Ze dreigen te worden uitgestoten door het maatschappelijk en politiek establishment en worden de prooi van politieke tinnegieters die wel degelijk aan hun sociale onvrede de context geven van vreemdelingenhaat en, onmiddellijk daarop volgend, puur racisme.

Migratie is een internationaal vraagstuk geworden: het verschijnsel richt zich op veel landen en kan niet meer louter nationaal worden benaderd. Zowel bij het reguleren van immigratie, het opvangen van vreemdelingen en het voorkomen van ongewenste migratiestromen moet internationaal worden samengewerkt.

Migratie is maar gedeeltelijk te sturen en te beheersen: er is te veel nood in de wereld, de welvaartsverschillen zijn te groot, grenzen zijn niet hermitisch af te sluiten. Toch heeft grensbewaking mede door een efficiënte aanpak nog wel degelijk effect. Daarnaast wordt meer dan vroeger het accent gelegd op het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Ik doel hierbij bijvoorbeeld op het leggen van een koppeling tussen de verblijfspositie en de toegang tot sociale voorzieningen, en het tegengaan van illegaal werken, waarbij de werkgever wordt gestraft en de illegale vreemdeling - zo mogelijk - verwijderd.

Een consequentie van het restrictieve toelatingsbeleid en binnenlandse vreemdelingentoezicht is het Grenshospitium, waar mensen worden ondergebracht, die niet het land in mogen en die daar het oordeel van de rechter over deze weigering afwachten. Het betekent ook de verwijdering uit Nederland van diegenen die als illegaal worden aangetroffen. Het aantal verwijderde vreemdelingen zal dit jaar de 16.000 passeren. Soms lukt verwijdering niet, omdat vreemdelingen hun papieren en daarmee hun identiteit zoekmaken. In die gevallen is het uiterst moeilijk hun vermoedelijke vaderland bereid te vinden hen weer op te nemen. Intussen is het voor de Nederlandse samenleving niet altijd even duidelijk wie legaal en wie illegaal in ons land verblijft. Die keurige meneer op de hoek bijvoorbeeld is illegaal in Nederland, terwijl de dief verderop legaal in ons land verblijft. Regelmatig komt het voor dat delen van de samenleving zich inzetten om vreemdelingen hier te houden, die zijn "uitgeprocedeerd'. Dat wil zeggen dat ook de rechter van oordeel is dat betrokkene het land moet verlaten. Soms gaat het daarbij mede om kinderen. Leerkrachten en medeleerlingen voeren actie, sturen petities naar de staatssecretaris en lichten Kamerleden en de krant in. In die omstandigheden wordt nog eens opnieuw naar het dossier gekeken om te bezien of er redenen zijn om alsnog positief te beslissen. Maar hier moet nadrukkelijk worden gewaakt voor willekeur. Immers niet ieder illegaal hier verblijvend gezin kan zich verheugen in de belangstelling van een actiegroep.

De beste oplossing is die waarbij de vreemdeling zelf tot de conclusie komt dat vertrekken onvermijdelijk is. Tegen deze achtergrond moet ook de instelling van een Terugkeerbureau worden gezien, zoals in het regeerakkoord aangekondigd. De culturele hoedanigheid van de Nederlandse samenleving is aan voortdurende verandering onderhevig. Maar het is een misverstand dat uitsluitend toe te schrijven aan de komst van vreemdelingen.

De gemiddelde Nederlandse burger is de afgelopen dertig jaar welvarender, bereisder en mondiger geworden. Maar hij eist meer, is minder tolerant en lijkt minder boodschap te hebben aan de samenleving waartoe hij behoort. De criminaliteitscijfers stijgen en de belastingmoraal laat te wensen over. De vreemdeling, vaak aan barre omstandigheden gewend, moet Hollands welvaren met verbijstering aanzien. Hij wordt van onze samenleving gescheiden door meer dan één barrière. In de eerste plaats taal en cultuur, in de tweede plaats doordat zijn herkomst vaak een plattelandssamenleving is en zijn verblijfplaats hier het stedelijk milieu.

In de praktijk is het vaak de Nederlander die het minst in de welvaart deelt, die het meest met vreemdelingen te maken krijgt. Maar alle Nederlanders zijn zich bewust van onze multiculturele samenleving. En hun opvattingen zijn onderzocht. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is er sprake van een lichte omslag in de benadering van vreemdelingen. Tot 1989 kantte de publieke opinie zich steeds meer tegen ongelijke behandeling. Tussen 1989 en 1991 is daarin een verandering opgetreden. Gelijke behandeling van minderheden bij de verwerving van werk en woonruimte wordt minder benadrukt. Maar nog steeds spreekt 70 à 80 procent zich uit voor gelijke behandeling. Op het gebied van burenrelaties is er meer terughoudendheid: 45 procent van de bevolking toont zich gereserveerd. Bovendien vindt 47 procent dat er te veel buitenlanders zijn. Het zijn cijfers die reden geven tot bezorgdheid.

In elke cultuur is een waardendominantie te onderscheiden, ook in de Westerse cultuur. Die dominantie ligt mede ten grondslag aan ons wetgevingsstelsel. Waarden als gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, bescherming van de lichamelijke en persoonlijke integriteit, zijn neergelegd in de Grondwet en klinken in tal van wetboeken door. Het zou een verloochening van onze eigen cultuur zijn als we aan die waarden tornen. Daarmee ondergraven we ons eigen fundament.

Concreet betekent dit dat de Westerse cultuur vrouwenhandel en polygamie niet verdraagt en niet kan tolereren. Discriminatie van vrouwen is even verwerpelijk en verboden als die van moslims of anders gekleurde mensen. Geen vreemdeling mag zijn vrouw mishandelen, zich beroepend op zijn geloof of cultuur. Wie het toch doet, zal moeten worden gecorrigeerd.

In de Grondwet en de overige regelgeving zijn rechten neergelegd waaraan burgers en ieder die zich op Nederlands grondgebied bevindt, zich hebben te houden. Rechten, die ook de overheid jegens de burger respecteert en waarin zonodig de rechter de burgers beschermt. Tegen elkaar en tegen de overheid. Daarnaast is er veel ruimte voor culturele verschillen.

Daardoor is integratie mogelijk, door de inspanning van de vreemdelingen en de Nederlandse samenleving. Waar het op neerkomt is, zoals Dahrendorf stelt, dat alleen een samenleving die heeft aangetoond dat zij de basisaanspraken van al haar burgers respecteert, waar die burgers ook vandaan komen, welke culturele gewoonten en religieuze gebruiken zij ook hebben, zich beschaafd mag noemen. Dat respect verplicht ons ertoe het ritueel slachten mogelijk te maken in speciale ruimten en het dragen van een hoofddoekje op school te respecteren.

Maar er zijn ook grenzen die niet mogen worden overschreden, niet door Nederlanders en niet door vreemdelingen.

De cultuurschok voor migerende vreemdelingen draagt het risico van ontsporing in zich. Er is geen reden om te verhelen dat onder de daders van criminele feiten zeer veel vreemdelingen voorkomen. Hun totaal andere culturele herkomst en de belemmeringen op de weg naar integratie vormen als het ware een criminogene cocktail. Maar laten we oppassen voor te snelle conclusies. Veel gedetineerde vreemdelingen zijn niet in Nederland gevestigd en kwamen met hun crimineel gedrag, min of meer op doorreis, met de Nederlandse justitie in aanraking. Men denke aan drugskoeriers. Om diezelfde reden zitten veel Nederlanders in een buitenlandse cel.

Waar veel van de jeugdcriminaliteit duidt op gebrek aan binding aan de samenleving, wordt duidelijk dat ook hier integratie loont. Scholing, werk, sport en cultuur zijn de sleutels tot dat doel. Het betrekken van de ouders bij de problemen van hun kinderen ligt voor de hand, maar is onderbenut.

Gelukkig zijn er ook vele voorbeelden van vreemdelingen die hun plaats in Nederland met succes hebben ingenomen. Die van daaruit een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de samenleving. Naast de angst de hoop. De angst moet worden overwonnen en de hoop gevoed. (...).

De aantallen vreemdelingen maken beleid moeilijk maar niet onmogelijk. Aan de hier legaal aanwezige vreemdelingen en aan onszelf, zijn wij verplicht om de integratie zo krachtig mogelijk te bevorderen. Op landelijk niveau door middel van wetgeving, scholing en arbeid, op lokaal niveau door middel van maatregelen die de leefbaarheid in wijken verhogen, op individueel niveau door een houding van respect, solidariteit en tolerantie. De samenleving moet er daarbij op kunnen rekenen dat de rijksoverheid omwille van de kansen van integratie de aantallen inkomende vreemdelingen op een verantwoorde wijze beperkt houdt. Integratie is geen éénrichtingsverkeer.

Ook de vreemdeling, die hier wil en mag blijven, moet zich daarom inzetten. Ten bate van zichzelf en van de samenleving. Van het succes van de gezamenlijke inspanning hangt af of Nederland in de toekomst een land zal zijn waar de hoop de angst heeft overwonnenen waar melk en honing voorhanden zijn voor allen die er wonen.