Verdachte in hongerstaking voor afspraak van uitlevering

AMSTERDAM, 6 OKT. In de Bijlmergevangenis in Amsterdam is vanmorgen de Surinaamse Nederlander J. B. (40) in hongerstaking gegaan. Hij wil ermee afdwingen dat hij voor een proces pas aan Engeland zal worden uitgeleverd op het moment dat hij de garantie heeft dat hij zo spoedig mogelijk na het vonnis weer naar Nederland zal terugkeren. Juristen achten de zaak van groot belang voor soortgelijke gevallen in de toekomst.

B., die rijsthandelaar is, wordt ervan verdacht dat hij in Engeland invoerrechten en accijnzen heeft ontdoken, wat hij ontkent. Op grond daarvan werd hij acht maanden geleden in Nederland aangehouden. De rechtbank in Amsterdam, de Hoge Raad en de minister van justitie, die in dit soort gevallen het laatste woord heeft, vonden zijn uitlevering gerechtvaardigd.

B. zei vanmorgen dat hij zijn hongerstaking zal volhouden totdat schriftelijk de terugkeertermijn is vastgelegd. “Als ik eenmaal in Engeland ben, ben ik zo vergeten en blijf ik daar in het systeem hangen.”

Hij wordt in zijn standpunt gesteund door de Utrechtse rechtsgeleerde prof.mr. A.H.J. Swart. Van de gegevens van Swart maakte de advocaat van B., mr. A. Moszkowicz, gebruik toen hij bij de president van de rechtbank in Den Haag in kort geding eiste dat vóór de uitlevering de termijn wordt aangegeven waarbinnen B. na zijn vonnis in Engeland naar Nederland wordt teruggebracht. De Haagse rechtbankpresident wees de eis af met erop te wijzen dat het voldoende is dat er tussen Engeland en Nederland een verdrag bestaat over de overdracht van personen.

Swart beroept zich op een rapport van twee ambtenaren van het departement van Justitie van 1991. Daarin werd onderzocht de lengte van de procedures omtrent de overdracht van in Engeland gearresteerde en veroordeelde personen over de jaren '88 tot en met '90 en waarin ze tot de conclusie kwamen dat daarmee gemiddeld vijftien maanden is gemoeid. “Dat is”, aldus Swart, “veel en veel te lang. Daarmee mogen hooguit enkele weken zijn gemoeid”.