Requiem voor een kapper

Mario Theodor Welman zou vandaag 52 zijn geworden. Hij maakte zijn verjaardag net niet meer mee.

De in de jaren zestig alom bekende kapper overleed in de nacht van zaterdag op zondag van het vorig weekeinde. Afgelopen vrijdag is hij in Amsterdam gecremeerd. “Hij leefde zó intensief, hij heeft voor twee geleefd”, zegt Bert ("Bertje') Schaap over zijn vriend en collega. De levens van Bertje en Mario liepen meer dan 35 jaar parallel, vanaf de dag dat ze elkaar als 16-jarige "shampoo-jongens' in de Amsterdamse kapperszaken van Michel en Wim van Eyk ontmoetten tot en met Mario's laatste, benauwde weken. Bertje opende na de crematie een kooi met witte duiven, “symbool voor de geest die uitvliegt”.

“Hij heeft altijd een grote mond gehad”, kenschetst Bert Schaap zijn makker-van-het-eerste-uur. “Daarbij had hij een tomeloze energie.” Samen met Bert begon Mario op de bel-etage van zijn ouderlijk huis aan de Amsterdamse Nassaukade de eerste eigen kapsalon. Ze hadden het vak afgekeken bij gerenommeerde kappers, maar een diploma hadden ze niet. Dat leverde een reeks conflicten met de kappersbond op. De kapsalon sloeg aan, want Mario's talent schuilde niet alleen in het oppikken, maar vooral in het lanceren van nieuwe, gewaagde modellen. “Hij had een goeie neus voor trendy kapsels”, zegt Bert. “De hoge, bolle kapsels en pruiken heeft hij in Nederland geïntroduceerd. Pruiken werden daarvóór meer gezien als prothese. Mario maakte er mode van.”

Van 1959 tot 1964 bestierde “de jongen met de gouden handjes”, zoals hij in de publiciteit al gauw heette, kapsalon Chez Mario, gesitueerd aan de Prinsengracht in Amsterdam. De aanloop was groot, steeds meer vedetten van het Nederlands toneel en de televisie wisten het pand naast bioscoop De Uitkijk te vinden. “Hij had het charisma om mensen die aan de weg timmerden aan te trekken”, herinnert Bert Schaap zich. Hij kapte tv-coryfeeën in de toenmalige NTS-studio's, desnoods geheel gratis. Bert: “Onze klanten hechtten steeds meer aan de veranderingen die Mario voorstond. Ze hadden genoeg van die stijve-trutten-kapsels.” Tot zijn vaste klanten rekende hij Ank van der Moer, Conny Stuart, Ageeth Scherphuis, Marjan Berk, Shireen Strooker en Andrea Domburg. In zijn memoires, verschenen in 1969, verklaart hij dat hij ook prinses Soraya, Marlene Dietrich, Renate Tebaldi, Shirley Temple, Marilyn Monroe en Catharine Valente heeft geknipt.

Tegen het eind van die gloriejaren opende Mario in het souterrain van zijn pand samen met de kledingontwerpers Josje Leeger en Marijke Koger The Trend. Dat was niet zomaar een boetiek, maar een “preparatory centre for the appreciation of newer art forms”. Later stonden de twee aan de wieg van de Apple-boetiek van The Beatles. Mario dankte zijn roem in die tijd mede aan zijn levensstijl. Hij hulde zich uitsluitend in maatkostuums, en verkleedde zich bij voorkeur een paar keer per dag. Als er een modeshow of presentatie werd georganiseerd, dan was alleen de presidentiële suite van een voornaam hotel goed genoeg. Klanten en pers werden getracteerd op champagne. Hij nodigde in kasteel Oud-Wassenaar prinses Beatrix en prins Claus uit, alsmede het voltallige kabinet, om er een diner bij te wonen ter gelegenheid van de presentatie van een in free-jazz gespeelde plaat van het Wilhelmus. Behalve de BVD, de politie en de fiscus kwam niemand. De producent-in-spe wachtte slechts de rekening.

“Mario had niet zo'n groot economisch inzicht”, omschrijft Bert eufemistisch het financiële debâcle dat zich langzamerhand aftekende. De schulden, vooral aan de belastingdienst, stapelden zich op. Eind 1964 verscheen een advertentie van de fiscus in de krant, waarin de inventaris van Chez Mario (“meubilaire goederen, negen droogkappen”) à contant te koop werd aangeboden. Schaap kocht de goederen terug bij de openbare verkoop, terwijl Mario naar Montreux was vertrokken.

Kort daarvoor ontmoette Parool-verslaggever Bas Roodnat de kapper in zijn landhuis in Oud-Loosdrecht. “Er zijn altijd walgelijke hoeveelheden geld door mijn handen gegaan”, zei Mario tegen Roodnat. “Ik werk er wel dag en nacht voor.” Roodnat is er getuige van dat Mario bij de belastingdienst in de Wibautstraat een bedrag van 750 gulden afdraagt, een schijntje op de belastingschuld van 36.000 gulden. “Vijf jaar lang heb ik geen enkele boekhouding bijgehouden”, verklaart de kapper. “Dat beheerst momenteel alles.” Het oog van de Parool-verslaggever valt op een flinke plantenbak, die bij navraag Mario's op maat gemaakte doodskist blijkt te zijn. “Er zit een koperen plaat op met de inscriptie: "Mario Th. Welman, geboren 6 oktober 1940 - ....' Mario zegt dat hij van plan is zelf de overlijdensdatum in te vullen: “Zomaar een datum en een jaar prikken en invullen. Dan kan je daar naartoe gaan leven.”

De verslaggever constateert dat Mario vrij geregeld peppillen gebruikt en informeert naar het waarom. “Ik moet mezelf duwen in de rug geven”, antwoordt de kapper “Het gekke is dat ik soms zo'n pil inneem als ik me best voel. Maar na zo'n pil weet ik dat er vandaag iets gebeuren moet. Het enge is dat er dan inderdaad iets gebeurt. Al ligt het alleen maar aan de nog grotere invloed die je dan op mensen hebt.” Er wordt ook met LSD geëxperimenteerd. Mario komt via Bart Hughes, de medicijnenstudent die door het boren van een gaatje in zijn voorhoofd zijn geest wilde verruimen, in contact met Onno Nol die het recept voor LSD achterhaalde en het middel maakte.

De Amsterdamse grond wordt de kapper steeds heter onder de voeten, maar het is voor hem geen reden om zijn uitgaven te beperken. Zo boekt hij nog samen met de vertolker van het jazz-volkslied, Piet Kuiters, een reis naar Madeira en laat zich er ruim een week lang verwennen in het duurste hotel. Het uitstapje wordt grotendeels betaald met ongedekte cheques van de gemeentegiro. Eind 1965 wordt hij failliet verklaard; zijn schuld is dan opgelopen tot 128 duizend gulden. Mario neemt de wijk naar Ibiza.

In zijn memoires, die drie jaar later verschijnen (De avonturen van Prins Mario, opgetekend door Belle Bruins en verschenen bij Arcanum), maakt Mario gewag van zijn Ibiza-tijd als één aaneenschakeling van drugsexperimenten, rituele slachtingen en extravagante feesten en orgiën. De kapper moest zijn zelfs voor het Spaanse eiland opmerkelijke levenswandel na bijna twee jaar bekopen met zeven weken kerker. Als hij kort daarna terugkeert naar Nederland, wacht hem opnieuw de cel. Wegens "bedriegelijke bankbreuk', oplichting en flessetrekkerij wordt hij uiteindelijk veroordeeld tot zeven maanden.

In de cel werkt gevangene C 3/24-696 aan zijn memoires en schrijft hij welgemoed brieven aan zijn beroemde ex-klanten. “Dag moedertje”, begroet hij Hedy d'Ancona, die vier weken daarvoor van een zoon was bevallen. “Wat heerlijk dat je kogelronde lijfje weer in de couture past. Ik kan je van hieruit niets anders dan mijn gelukwensen sturen, maar bij z'n eerste jaarfeest hoop ik een partijtje voor Hajo te organiseren.” De maanden cel grijpen hem toch meer aan dan de correspondentie suggereert. Hij neemt na zijn vrijlating meer drugs dan goed voor hem is en belandt een paar maanden in het psychiatrisch ziekenhuis Santpoort.

Van de vele "projecten' die Mario sindsdien heeft opgezet, zijn er maar weinig geslaagd, alle energie die hij erin stopte ten spijt. Hij organiseerde "pruikenshows', werkte aan de opzet van een beautyfarm en raakte in contact met de Amsterdamse actiegroep "Bouw es wat anders', die ijverde voor een ludieke herinrichting van het Leidseplein. Mario bleef al die tijd onafscheidelijk van schaar en föhn en knipte iedereen die hem erom vroeg, of dat nu de zangeres van de popgroep De Gigantjes was of een bejaarde dame om de hoek. Vier jaar geleden heeft hij nog eens zijn oude kapsalon gekraakt, omdat het pand al zo lang leeg stond en hij zich er nog altijd een beetje de eigenaar van voelde. Hij kampeerde een paar maanden in zijn eigen verleden.

Twee jaar geleden kreeg hij te horen dat hij niet lang meer te leven had. Van de dokter mocht Mario zijn peppillen blijven slikken, zegt Bert, zijn hartkleppen zouden het toch spoedig begeven. Tegen de toenemende benauwdheid was geen kruid meer gewassen. Dit voorjaar lag Mario in het huis van Bertje in doodsstrijd, maar ineens ging het toch weer beter. “We speelden met de gedachte van euthanasie”, zegt hij.

Op de begrafenis zag Bertje weinig oude bekenden, uit de zaak. Hedy d'Ancona had een bos bloemen gestuurd. Alleen Yoka Baretty was er: “Waar zijn al m'n collega's!” had ze nog geroepen. Twintig jaar geleden waren ze er beslist allemaal geweest.