Pech bij zelfmoord NWT, 1992-5. Dedalus / ...

Pech bij zelfmoord NWT, 1992-5. Dedalus / Betapress, 80 blz.ƒ13,25

Critici zijn ouderwets Literatuur, 1992/5. Uitg.Hes, 63 blz.ƒ12

Pech bij zelfmoord

“en nog maar eens een zelfmoordbijdrage van Jeroen Brouwers, de man die in zijn eentje, door nog nooit genomineerd te zijn, meer moet hij daar niet voor doen, de hele AKO-prijsbedoening in vraag stelt.” Zegt Herman de Coninck in zijn redactionele inleiding tot het herfstnummer van zijn Vlaamse Nieuw Wereldtijdschrift. Brouwers publiceerde nadat vijf jaar geleden de AKO-prijs ingesteld werd De zondvloed en Zomervlucht, autobiografische werken (Kroniek van een karakter I en II), beschouwingen in Kladboek 3. Het vliegenboek, en in 1989 het inmiddels niet meer leverbare De versierde dood. Schrijverszelfmoorden laten Brouwers sinds zijn boek De laatste deur (1983) niet meer los. De keuze is ook groot natuurlijk. De Belg André Baillon is zijn voorlopig laatste slachtoffer. 1875-1932: zevenenvijftig miserabele jaren van angsten, pech, zelfhaat, zenuwzwakte en eenzaamheid. Hij probeerde nadat hij zijn erfenis vergokt had zelfmoord te plegen door met een bontjas aan de zee in te lopen maar de vacht hield hem drijvend en hij spoelde weer aan. Hij begon voor zijn rust een kippenboerderij bij Westmalle - “dat je met die tweehonderd kippen niet je eigen baas bent, wat je toch wilde, maar tweehonderd bazen hebt. Dat je met die tweehonderd kippen, in plaats van de stilte die je zocht, tweehonderd kelen hebt die tôkketôôk roepen als je zit na te denken.” Hij ondernam een dubbele zelfmoord met een geliefde door kolendampverstikking maar vergat het luchtgat van de schoorsteen dicht te stoppen. Baillon was volgens Brouwers, die zonder al te veel medelijden over hem schrijft, "kakelkrankzinnig'.

Jan Brokken publiceert in dit nummer een heerlijk romantisch verhaal over een oude Hongaarse wasbaas op de Zuidhollandse eilanden die behalve een bochel ook een mooie bewonderaarster en een groot tekentalent blijkt te hebben. Henk Blanken sprak uitvoerig met Marcel Möring (1957) over zijn romans Mendels erfenis en Het grote verlangen: “Ik word gerekend tot dat groepje filosofie- en literatuurschrijvers, en dat is niet helemaal naar mijn zin. Ik stop het er niet in. Er komen dingen in terecht.” Möring klinkt vastbesloten anti-ironisch, hij heeft ook een ernstige, hoge opvatting van literatuur. “Ik moet me geweldig in moeilijkheden brengen om dingen te ontdekken. Een afschuwelijk geworstel. Soms kan het drie maanden duren. Sta ik met bijkans zelfmoordgedachten aan het raam. Terwijl het makkelijker is een kort verhaal te schrijven, een goed geschreven boek te maken. Maar ik ontdek dan niets.”

Maarten Beks schrijft over de "hemeltergende billen' (en naaldhakken) van tekenaar Adriaan Willemsen (“Er is geen mens, althans geen man, zonder inwonende fascist, zijnde een klein mannetje dat de alleenheerschappij wenst te zien toegekend aan zijn roede”); en in de recensierubriek LS bespreekt August Thiry het "briljante boek' Postscriptum voor Anna en Miriam van Maria Nurowska: “Je vraagt je meteen spontaan af waarom - ondanks Van Dale - "Pools' nog met hoofdletter en "joods' met kleine letter wordt geschreven”.

NWT, 1992-5. Dedalus / Betapress, 80 blz.ƒ13,25

Critici zijn ouderwets

Het omslag van de nieuwe Literatuur toont onthullende foto's van Leon de Winter in 1976 (neomarxistische coiffure, baardje, randloze bril); en als mooi filmstertype in 1992, met snel haar achterover, contactlenzen, en een niet te gladde kin. Ton Anbeek vraagt zich in "De (ver)wording van een reputatie' af of de literatuurrecensenten bij De Winter geen "historische vergissing' begaan. Wat is er aan de hand? De boeken van Leon de Winter worden met iedere nieuwe titel steeds beter verkocht, terwijl de literaire kritiek de laatste jaren juist hoe langer hoe zuiniger wordt.

Dit is een goede illustratie van Anbeeks moderne opvattingen over "receptie' in de literatuurgeschiedenis: naast de reacties van professionele critici zijn ook de nuchtere verkoopcijfers van belang, voor zover die nog te achterhalen zijn tenminste. Zo kan het een het ander aanvullen, of corrigeren: de waardering van enkele geschoolde en geoefende beroepslezers beïnvloedt natuurlijk de verkoop van besproken boeken, maar vaak blijkt, bnnen het literaire domein, het publiek een eigen, afwijkende smaak te hebben. En juist daar raakt de de receptie-historicus geïntrigeerd. Waarom is in de boekhandel sinds enige tijd Pirsigs cultboek uit 1974 Zen en de kunst van het motoronderhoud niet meer aan te slepen? Wat trekt al die lezers (hoofdzakelijk vrouwelijke) toch zo aan in Condé's dikke "woestijnepos' Ségou, Isabel Allende's Huis met de geesten of Eva Luna en Benoïte Groults Zout op mijn huid? En in Buchi Emecheta of Renate Dorrestein? Hoe komt het dat A.F.Th.van der Heijden met zijn dikke romans zo'n groot publiek weet te bereiken?

Anbeek boog zich dus over De Winter - “vaak scherpe reacties van zogenaamd gezaghebbende critici, toch hoge verkoopcijfers. Wat vinden de lezers in die boeken terug dat de recensenten niet willen zien of afkeuren?” Hij verraadt zich al direkt een beetje met dat zogenaamd. Vanaf Kaplan (1986) verloor de schrijver een groot deel aan bewondering van de kritiek maar verwierf hij wel, vooral met de goedkope editie van '91, een grote lezerskring. “Kaplan drijft een wig door de schare van vaderlandse recensenten” stelt Anbeek dramatisch. Aan de ene kant staan de "dogmatische recensenten", de "beschermers van esotherische, esthetische literatuur' als Van Deel, Goedegebuure, Peeters, Anker. Daartegenover vinden we de critici die houden van De Winters "leesbare' (het sleutelwoord), realistische en vlotvertelde boeken - Anbeek noemt hier Joost Zwagerman en Reinjan Mulder. Volgens Anbeek houdt het "zogenaamd gezaghebbende' deel van de Nederlandse literaire kritiek krampachtig vast aan waarden die in het Engelstalige buitenland "allang' zijn losgelaten: literatuur als tijdverdrijf voor verfijnde geesten, hoe gelaagder hoe geslaagder, dus een postmoderne voorliefde voor een bestudeerde vorm. Tom van Deel en Jaap Goedegebuure hebben deze week in Trouw en HP/De Tijd inmiddels korzelig gereageerd. Volgens hen schreef Anbeek dit stuk over De Winter louter en alleen om wraak nemen voor negatieve kritieken van hun hand op zijn eigen realistische en leesbare romans.

Literatuur, 1992/5. Uitg.Hes, 63 blz.ƒ12

    • Margot Engelen