Leerling

Ik herinner me de teleurstelling van mijn moeder toen ik thuiskwam met drukinkt aan mijn vingers. Ze had niet gedacht dat je vuile handen kreeg van het werk dat ik deed.

Leerling-journalist was ik. Ik was als laatste aangenomen en moest als eerste beginnen.

De eenzaamheid van halfzes in de ochtend: zelfs de mussen sliepen nog als ik naar het Gele Rijdersplein fietste. Daar verhief zich de plaatselijke rode burcht, een gebouw waarvan ik als kind al de mythe had leren kennen - en nu de achterdeur! Een doodgewone deur waarop een doodgewone sleutel paste, maar dat ik het was die die sleutel moest gebruiken, dat was om de dooie dood niet gewoon.

In het donker, loerend, zocht ik mijn weg door de zetterij, langs machines die in mijn geheugen zijn samengesmolten met weefgetouwen, raamwerken waarin ik mij de draden van een marionettentheater verbeeld. En de harde geur van gestold lood.

Een nauwe draaitrap op, de glazen deur naar de redactie, eindelijk het licht aan. En dan ging ik in een hoogstpersoonlijke leegte aan mijn bureau zitten.

Hoe beschrijf ik nu het verdriet van toen? Jongensverdriet was het, een verdriet dat als een schat werd gekoesterd, dat op een dag als een ei zou openbarsten om het leven te geven aan iets prachtigs. Dat verdriet ken ik niet meer.

    • Koos van Zomeren