Interesse voor middenklasse is taboe

In haar column van donderdag 1 oktober schrijft Beatrijs Ritsema: “De vloer van de middenklasse wordt steeds poreuzer en zo'n twintig procent van de kinderen zakt er doorheen”. Als bron voor deze constatering noemt zij het artikel dat ik in Elsevier van 5 september heb geschreven. Ik vraag mij af op grond van welk rekensommetje Ritsema tot dit percentage komt. Ik beschreef het verschijnsel van vallende kinderen uit de middenklasse aan de hand van twee graadmeters. Een graadmeter is het verschil in niveau van het behaalde diploma tussen vaders en zonen, de andere het verschil in beroepsprestige. In 1988 behaalde volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek 27 procent van kinderen van hoogst opgeleiden het VWO-diploma, 36 procent een LBO-diploma of geen diploma. De rest doorliep HAVO of MAVO met succes. Op grond hiervan is "de val' 73 procent.

Ter vergelijking: in 1966 behaalde nog 71 procent van de kinderen uit de hoogst opgeleide milieus een VWO- of een MMS-diploma.

Kijken we naar het verschil in beroepsprestige: de uitval uit de groep met het hoogste prestige (hoogleraar, arts, hoge ambtenaar, academische vrije beroepen) naar de laagste (ongeschoolde arbeider) was in het begin van de jaren vijftig naar schatting één procent. In 1970 ongeveer vijf procent, in 1990 steeg het verschil naar tien procent. De door Ritsema genoemde twintig procent, komt in mijn artikel in Elsevier niet voor. Het cijfer is of tien (op grond van beroepsprestige) of iets meer dan zeventig (op grond van het niveau van opleiding).

Dat deze cijfers niet gelijk zijn heeft een aantal, voor de hand liggende redenen. De uitval van hoogste naar laagste beroepsgroep is de meest dramatische, daartussenin liggen nog verschillende mogelijkheden van kleinere stapjes naar beneden, die minder ver van het ouderlijk milieu voeren. Ook zijn er vooral voor de hogere milieus financiële en culturele hulpbronnen beschikbaar om de daling op grond van het behaalde diploma later nog te corrigeren. Al zijn het familiebedrijf of het wegloodsen naar de kolonies niet meer voorhanden om mislukte kinderen uit de middenklasse toch een kans op een carrière te bieden, er zijn nog altijd de mogelijkheid van extra opleiding, in het buitenland bijvoorbeeld, of het netwerk van relaties dat de ouders kunnen mobiliseren. Ook zijn de cijfers niet zonder meer met elkaar te vergelijken. Bij de daling van beroepsprestige is uitgegaan van de positie van de vader, bij de schoolprestaties van een generatie die in een gegeven jaar (in het voorbeeld 1988) het voortgezet onderwijs verliet. Niettemin is volgens de onderzoekers die ik heb geraadpleegd en volgens de cijfers van het CBS sprake van een duidelijke trend.

Voordat ik tot de vraag van Ritsema kom: “of er hier sprake is van een betreurenswaardige ontwikkeling of niet”, wil ik een merkwaardige denkfout in haar column aan de orde stellen. Ritsema schrijft: “Als er sprake is van twintig procent neerwaartse mobiliteit in de maatschappij, moet zich tegelijkertijd ook twintig procent opwaartse mobiliteit voordoen.” Ritsema verkeert kennelijk in de veronderstelling dat maatschappelijke verschijnselen als stijging en daling werken als communicerende vaten. Maar mobiliteit is geen natuurkundig verschijnsel, waarbij voor de stijgers automatisch plaats wordt gemaakt aan de bovenkant. Integendeel, het is dringen aan de top, de stijging overtreft al heel lang, sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, de daling.

Daarom klopt de redenering van Ritsema niet, dat wanneer de neerwaartse beweging niet door opwaartse mobiliteit zou worden gecompenseerd “er een schreeuwend tekort aan artsen, leraren, notarissen, managers en wetenschappelijke onderzoekers zou bestaan in Nederland”. Nu, dat is zeker niet het geval, schrijft Ritsema. Neen, sterker nog, er is een onrustbarend overschot in de beroepstakken die zij noemt, in het bijzonder aan leraren, wetenschappelijke onderzoekers in de alpha- en gammawetenschappen, aan afgestudeerde juristen die graag advocaat of notaris willen worden, aan medici die zich willen specialiseren. De omvang van de middenklasse is niet een constant gegeven. De middenklasse dijt nog altijd uit, tenminste als we kijken naar het groeiend aantal hoog opgeleiden. Het aantal hoge banen, de mogelijkheid tot het verwerven van een hoog beroepsprestige, heeft met deze toename geen gelijke tred gehouden.

Het mammoetsysteem in het onderwijs heeft voor een explosieve groei van gediplomeerden gezorgd. Ook de hogere welvaart en de emancipatie van lagere bevolkingsgroepen heeft daartoe bijgedragen. Die aanwas heeft tot de ontwaarding van diploma's geleid en daarmee tegelijkertijd tot de noodzaak om zich vervolgens op andere manieren dan door het bezit van diploma's te onderscheiden in de concurrentie om de beste maatschappelijke posities.

Iedereen drs., dan moeten de meest ambitieuzen zorgen dat ze deze nog nauwelijk als uitzonderlijk beschouwde status aanvullen met andere waarden. Er vallen geen plekken open door de daling uit de middenklasse, zoals Ritsema meent, de plekken zijn juist steeds moeilijker te veroveren. Het "fijne onderscheid' van accent, culturele bagage, omgangsvormen, en op den duur wellicht kleur en geslacht gaan dan een rol spelen bij sollicitaties en bij het veroveren van maatschappelijk aanzien.

Deze conclusie in mijn artikel is helemaal niet in tegenspraak met het begin, zoals Ritsema schrijft. Ik heb het bovendien niet bedacht, zoals zij meent, het zijn verschijnselen die door sociaal onderzoek zijn gesignaleerd.

Het is ook met grovere waarneming aantoonbaar. Waartoe anders dienen de dure postdoctorale opleidingen, de trek naar het buitenland, de groei van de bijzondere scholen waar Engels of Frans de voertaal is. Of waarom is er een markt voor de logopediste (onlangs op de achterpagina van deze krant opgevoerd) om volkse accenten met een spoedcursus in ABN te veranderen?

Inderdaad, daarover zijn de column van Ritsema en mijn artikel eensluidend, het onderwijssysteem van "gelijke kansen' heeft tot een jungle geleid. Niet de gevestigde middenklasse is daar in de eerste plaats het slachtoffer van, maar juist de kinderen van de snelle stijgers uit de jaren zestig en zeventig. Onder hun kinderen vooral moeten we de uitvallers zoeken, aldus de hypothese van Ultee.

Dat is de betreurenswaardige ontwikkeling, waarmee mijn artikel eindigde. Het uitgangspunt voor mijn reportage over vallende kinderen was niet spijt over de daling, of medelijden met ouders die er niet in slagen hun kind binnen hun milieu te houden. Veeleer verbazing over een maatschappelijk verschijnsel dat je vaak tegenkomt, maar waarvoor weinig belangstelling bestaat. Op onderzoek naar maatschappelijke daling rust kennelijk een taboe. Belangstelling voor het wel en wee van de middenklasse is, zou je kunnen zeggen, politiek niet correct.

    • Vera Illés