Hier is pas iets te halen als je al wat hebt

Tussen de suikkerrietplantages, de cocospalmstranden en de achterlijkheid van de Braziliaanse staat Alagoas, waar 25 families de dienst uitmaken, is het imperium van president Collor gegroeid. Maar ook Alagoas begint nu wakker te worden uit de lethargie waarin corruptie en machtsmisbruik welig tieren. Buiten de hoofdstad Maceió zal het echter nog lang duren. “Als je dat blaadje niet weggooit, schiet ik je voor je kop.”

MACEIÓ, 6 OKT. De bus met Argentijnse toeristen draait langzaam de hoofdstraat in. Uit een opengeschoven raampje floept de lens van een videocamera naar buiten voor de mooie plaatjes: schilderachtige armoede onder een tropenzon; kinderen in vodden en op blote voeten, bedelaars, vervallen huizen, een wegdek met gaten. En met een beetje geluk op de achtergrond een muur waarop nog net leesbaar de tekst: “Weg met Collor!”

Dit is Maceió, hoofdstad van Alagoas, een van de armste deelstaten in het toch al sterk verarmde noordoosten van Brazilië. "Republiek Alagoas' wordt de staat ook wel genoemd, en zijn "president' was tot vorige week president van alle Brazilianen: Fernando Collor de Mello, zoon van Alagoas' voormalige senator en gouverneur Arnon de Mello en diens weduwe Leda Collor, dochter van Lindolpho Collor, minister van arbeid onder dictator Getulio Vargas, groot-aandeelhoudster en nu herstellende van vier hartinfarcten. Fernando Collor de Mello is erfgenaam van een politiek-financieel imperium dat is gegrondvest tussen suikerrietplantages, cocospalmstranden en achterlijkheid.

Alagoas is de Collors, en nog zo'n 25 andere families die te zamen 65 procent bezitten van de grond in deze staat met 2,4 miljoen inwoners. Fernando Collor was burgemeester van Maceió en evenals zijn vader gouverneur van Alagoas. Nu is hij door een overweldigende meerderheid van het parlement in de federale hoofdstad Brasilia wegens corruptie tijdelijk afgezet als president en zelfs in zijn thuisstaat is er nog maar weinig sympathie voor Collor of diens familie.

“Het zijn mafiosi”, zegt de 28-jarige Petrusio. Hij vindt het allemaal hoogst vermakelijk wat er vorige week in Brasilia is gebeurd. Petrusio noemt ze gretig op, de bezittingen van de familie Collor in Alagoas: de drie radiozenders, het televisiestation - onderdeel van de grote Globo-keten - en het dagblad Gazeta da Alagoas. Collor en zijn vrienden, zoals de eveneens in Maceió residerende zakenman en spin in het corruptieweb Paulo César Farias en gouverneur Geraldo Bulhoes van Alagoas - als hun namen ter sprake komen, gaat onveranderlijk de duim naar beneden in Maceió. “Het is hier slecht door dit soort lui”, meent pompbediende José Figueiroa. Met weemoed denkt hij terug aan het jaar dat hij als chauffeur in Spanje werkte. “Als het kan, ga ik hier weer weg”, zegt hij.

Figueiroa is niet de enige met verhuisplannen. De sloppenwijken van steden als Rio de Janeiro en São Paulo krijgen jaarlijks duizenden gelukszoekers uit het verarmde noordoosten van Brazilië te verwerken. In Alagoas is niets te halen als je niet al iets hebt. “Slechts de helft van het jaar wordt er suikerriet gekapt”, legt vakbondsman Evio Vanderley uit, “de andere helft van het jaar stijgt de werkloosheid tot zo'n veertig procent van de beroepsbevolking”.

Vanderley (hij heeft Hollands bloed) vertegenwoordigt de aan de socialistische Arbeiderspartij gelieerde vakcentrale CUT op deelstaatniveau. Vanderley heeft de riskante taak leden te werven onder de suikerrietkappers van Alagoas. “We zijn vrijwel niet actief buiten Maceió. Op het platteland heersen nog feodale toestanden. De eigenaars van suikerrietplantages bezitten privélegertjes en verschillende van onze activisten zijn al doodgeschoten. De vakbonden in de suiker zijn twee handen op één buik met de plantage-eigenaars, en volledig corrupt. Net als de politie en het leger overigens. Hier kun je nog spreken van kapitalisme in het wild.”

De moderne wereld houdt op achter de brede strandboulevard van Maceió met zijn toeristenhotels, de openluchtbars waar vis en garnalen worden geserveerd op de maat van forro-muziek en waar de jonge elite van Alagoas zich snel laat herkennen: het mannelijke deel jeugdige versies van playboy-president Collor, het vrouwelijke deel gebronsde kopieën van first lady Rosane. Maar in de sloppenwijken op een steenworp afstand van het strand lopen de ondervoede kinderen, die met bosjes bloemen en zakjes noten langs de strandtenten van Praia do Francés leuren bij de kapitaalkrachtige Brazilianen en Argentijnse toeristen, voor wie heel Brazilië nu één groot koopjesfestival is.

Een slecht onderhouden hoofdweg verbindt Maceió met Recife in het noorden en het Aracaju in de staat Sergipe in het zuiden. Niet ver van Maceió ligt het plaatsje Marechal Deodoro, de voormalige hoofdstad van Alagoas en genoemd naar de eerste president van de republiek, maarschalk Deodoro da Fonseca. Het wegdek is bezaaid met afval van suikerriet en weinigen wagen zich buiten op het heetst van de dag als het meer dan veertig graden is.

De gebouwen zijn, net als in het centrum van Maceió, uit betere tijden. Nu zijn zij vervallen en veelal beklad met de propaganda van kandidaat-burgemeesters en aspirant-gemeenteraadsleden. In de schaduw van hun armoedige huizen staan, zitten, hangen of liggen de inwoners van Marechal Deodoro en kijken met vertraagde belangstelling naar enig teken van beweging op straat - scènes die zó uit de romans van Jorge Amado komen, Braziliës chroniqueur van het leven in het noordoosten.

Maar Marechal Deodoro is nog een bruisende metropool vergeleken met Canapi aan de noordwestelijke grens van Alagoas met Pernambuco. Veertienduizend inwoners telt Canapi en de belangrijkste heten Malta. Zij zijn de schoonfamilie van president Collor, en dom João Alvino Malta is de onbetwistbare heerser in dit deel van Alagoas. Hij is niet te spreken te krijgen. In Canapi praat eigenlijk liever helemaal niemand. Dat ondervond ook de nationale krant Jornal do Brasil. “De mensen hier hebben wel een mening, maar die houden ze voor zich of delen die alleen met vertrouwde personen”, zei in de krant José Ribeiro, die de moed heeft om zich namens de oppositie (tegen de Malta's) kandidaat te stellen voor de gemeenteraad van Canapi.

Ook burgemeester Mauro Fernandes da Costa van Canapi houdt bij voorkeur zijn mond. Een paar dagen voor de gemeentelijke verkiezingen van afgelopen zaterdag vroeg hij politiebescherming aan, omdat hij zich “in het huidige bedreigende politieke klimaat totaal onbeschermd” voelde. Dat is begrijpelijk. Vorig jaar was burgemeester Fernandes immers de schietschijf van João Malta junior, de presidentiële zwager, die het niet pikte dat de gekozen eerste burger van Canapi zich kritisch had uitgelaten over vermeende fraude door de presidentiële schoonmoeder met liefdadigheidsfondsen in Canapi. De burgemeester heeft nu vaste verhuisplannen.

De reputatie van de Malta's van Canapi blijkt ook uit de anecdotes, vooral over de twee onstuimige broers van Rosane, die de ronde doen. Zoals die van een plaatselijke winkelier die door Joazinho Malta werd betrapt op het lezen van een tijdschrift waarin een reportage stond over de parlementaire onderzoekscommissie naar het corruptieschandaal rond Collor. “Als je dat blaadje niet weggooit, schiet ik je voor je kop”, zou de jongeman hebben gedreigd. Kandidaat-gemeenteraadslid Ribeiro weet: “Als hier 's avonds het nationale televisiejournaal begint, gaan alle voordeuren dicht”.

Net als Brazilië zich lijkt te hebben ontworsteld aan de lethargie waarin corruptie, machtsmisbruik en machinaties welig tierden, zo is ook Alagoas wakker geworden uit de nachtmerrie waarin Fernando Collor de Mello en de zijnen een hoofdrol speelden. Volgens opiniepeilingen was hier een meerderheid vóór afzetting van de president. In Maceió werden de afgelopen tijd drie grote protestdemonstraties tegen Collor gehouden. “Ik wil hopen dat dit zich nu vertaalt in een algemeen politiek bewustzijn”, zegt vakbondsman Vanderley. Maar hij is niet al te optimistisch. Collor bereidt intussen, zo lijkt het wel, een come back in Alagoas voor. Eén dag voor zijn zes maanden durende schorsing als president verleende Collor nog snel even een aantal federale kredieten aan zijn verarmde thuisstaat.