Het "Glück auf' zal minder vaak klinken; In de mijn Friederich Heinrich halen slechts 60 mijnwerkers kolen uit de grond

KAMP-LINTFORT, 6 OKT. Pas als we al minstens een half uur op ongeveer 1000 meter onder de grond gelopen hebben zien we de eerste mijnwerker. Hij ligt op zijn buik op de transportband waarmee de kolen uit de pijlers worden gehaald en hij glijdt voorbij. “Glück auf” roept hij en we roepen “Glück auf” terug, want zo hoort men elkaar in een mijn te groeten. Dan lost hij op in de duisternis en hoort men alleen nog het geraas van de transportband en staan we weer alleen in de permanente wind, die op de plek waar de kolen werkelijk worden gedolven- ook wel het kolenfront genoemd- zal aanwakkeren tot een kleine storm, die vooral veel kolenstof verplaatst.

De mijn Friedrich Heinrich van Ruhrkohle AG in Kamp-Lintfort ligt in het westelijke Ruhrgebied. Voordat men in een gigantische hal komt, waar zich vroeger duizenden mijnwerkers aan loketten lieten indelen voor hun werk “unter Tage”, zoals dat in het Duits zo treffend heet, ziet men kraakheldere kantoren met enorme beeldschermen. Daaraan zitten de operateurs. Die besturen met knoppen op panelen de hele onderaardse stad met een oppervlakte van 69 vierkante kilometer en een totale ganglengte van 150 kilometer. Die zetten de kolengraafmachines aan of stoppen ze. Die kunnen de rode dodemansknop indrukken mocht er gevaar ontstaan, maar, zegt een operateur, “dat is me nog nooit overkomen.” Het laatste ongeluk in de mijn vond, zegt woordvoerder ir. Randolf Apostel, twintig jaar geleden plaats.

De nu nog 3520 medewerkers van de Friedrich Heinrich, van wie er ruim 2000 ondergronds werken, zijn maar wat trots op hun mijn. “We hebben altijd geweldig gewerkt. We hebben met onze veiligheid en onze produktiviteit altijd aan de top gestaan. Op het ogenblik winnen we per dienst van acht uur per man 5877 kilo kolen, wat in 1983 nog maar 3882 kilo was. We dachten dat we nooit gepakt zouden worden, maar volgend jaar moeten we samengaan met onze buurman de Rheinlandmijn, want die is te zwak om op eigen benen te blijven staan”, stelt Apostel met enige spijt in zijn stem vast.

De Duitse mijnindustrie is in beweging: de Friederich Heinrich is er een voorbeeld van. Op last van de Bondsregering, aangezet door de EG-commissie in Brussel omdat zij de subsidiëring met 4 miljard DM van de kolenindustrie per jaar onderdehand welletjes vindt, moeten in de komende jaren drie mijnen sluiten en vijf gaan samenwerken. Dat betekent een reductie van het aantal mijnen met van 25 tot 17. Het aantal arbeidsplaatsen zal met 40.000 dalen tot in totaal 78.000 in het jaar 2000. En de produktie wordt teruggebracht van 70 naar 50 miljoen ton.

Voor de Friederich Heinrichmijn betekent het een samengaan met buurman Rheinland. Beide kolenvelden grenzen aan elkaar. Samen hebben ze nu nog 8500 medewerkers. De Friederich Heinrich produceert per jaar ruim 2,2 miljoen ton zogenoemde esskolen, ook wel genoemd smidskolen, die van bijzonder goede kwaliteit zijn omdat ze maar 14 tot 18 procent vluchtige stof bevatten. De esskolen gaan naar de cokesfabrieken.

Van de 8500 medewerkers van de twee mijnen tesamen zullen er eind 1994 - als de operatie moet zijn afgerond - nog slechts 3800 overblijven. Een deel van het personeel wordt met pensioen gestuurd of komt in de overbrugging naar de oude dag terecht, een deel zal in andere mijnen tewerk worden gesteld en de rest zal worden omgeschoold voor vervangend werk. Als dat er tenminste is. Want dat is algemeen het probleem, ook in de Duitse mijnstreken, die vaak niets anders hebben dan hun kolen.

De tocht naar beneden begint in de kleedlokalen, waar men zich tooit in de typische mijnwerkersdracht compleet met zweetdoekje om de hals, scheenbeschermers, een helm en aan een koppelriem het koolmonoxydefilter en de batterij voor de lamp. Dan gaat men met de lift met zo'n razende vaart door de schacht naar beneden dat de oren verstopt raken. Het eerste rondje snuiftabak wordt uitgedeeld. Het goedje is zo sterk dat het lijkt of de voorhoofdsholte splijt. We dalen af tot 1 kilometer onder het maaiveld. Je kunt er maar beter niet aan denken dat duizend meter aarde boven je hangt. Daar stappen we uit.

Overal hangen borden, die de mijnwerkers wijzen op de plicht zo veilig mogelijk te werken. “Sauberkeit + Ordnung = Sicherheit” staat er. “Vijftig procent van de ongevallen in een mijn”, zegt Apostel, “komt door onachtzaamheid van de mijnwerkers zelf.”

Daarna gaat het met de “Sessellift” verder. Men neemt plaats op een zadel, men houdt zich goed vast aan de stang en licht wiegend gaat het steeds dieper naar beneden. Daar kan men niet anders dan te voet verder gaan door gangen van wel zes kilometer lang. Maar men kan hier in ieder geval nog rechtop lopen. Water, waarin veel ijzer zit waardoor het roodbruin is gekleurd, loopt door goten. Op gezette afstanden hoort men stemmen uit een luidspreker: de intercom, waarmee men met elkaar en met boven het contact onderhoudt. Men passeert luchtsluizen en steeds wordt de luchtstroom heviger.

Dan na een paar honderd meter wordt het kolenfront bereikt. In totaal is er één mijnwerker te zien. Met slechts 60 man per 24 uur houdt men zich bezig met de daadwerkelijke kolenwinning; de rest van het personeel doet onderhouds-, controle- en reparatiewerk of regelt het vervoer met treintjes en liften.

Daar staat een machtige vijftig meter lange machine met twee enorme raderen, die de kolenwand steeds verder afkerven en de gewonnen kolen op een transportband gooien. Men moet hier gebukt lopen. Als de “Walzenschrämlader”, zoals deze machine heet, door de operateur boven in beweging wordt gezet kerven de raderen zich in de kolenwand. Men zou nu een hels kabaal verwachten, maar dat valt erg mee. Maar de stofproduktie is zo enorm dat men spoedig alle zicht verliest en men werkelijk zo pikzwart wordt als men op foto's van mijnwerkers wel ziet. Het stof beneemt je de adem. Je zweet hevig.

Op de weg terug ben je zo uitgeput dat de gids voorstelt om de transportband te nemen, wat feitelijk alleen maar is toegestaan aan de mijnwerkers zelf. Daar lig je dan met je buik op de kolen, die als goud glinsteren in het spaarzame licht. Op je buik op het beste wat Moeder Aarde te bieden had totdat aardgas, olie en kernenergie de mijnindustrie in de meeste Westeuropese landen begonnen terug te dringen. “Glück auf”: het zal in de nabije toekomst uit steeds minder kelen zijn te horen.

Boven krijg je een cognac en staan de broodjes en de koffie klaar. Maar je wil vooral veel water hebben, want de keel is droog en rasperig geworden. Dan ga je onder de douche. Maar ook daarna zullen de randen van je ogen nog dagenlang zwart omrand blijven.