Expositie over opnieuw vertaalde sprookjesschrijver; Andersen in "proper' Nederland

Tentoonstelling: Andersen in Nederland. T/m 22 nov. in het Open Haven Museum, Loods 6, KNSM-eiland, Amsterdam (bereikbaar met bus 28 vanaf CS). Wo t/m vr en zo 13-17u. Andersen: Sprookjes en verhalen. Vert. Annelies van Hees. Uitg. Lemniscaat, ƒ 49,90.

Hans Christian Andersen heeft Nederland drie keer bezocht: in 1847, 1866 en 1868. De beroemde Deense schrijver was hier in literaire kringen een graag geziene gast voor wie feesten en diners werden aangericht. Schrijvers als Jacob van Lennep, J.P. Hasebroek, Ten Kate en Kneppelhout kwamen bij die gelegenheden steevast opdraven om Andersen de hand te schudden en hem een gesigneerd exemplaar van hun nieuwste boek te geven. Alleen Potgieter liet zich niet zien: hij vond Andersen een ijdele kwast en weigerde hem te ontmoeten. Niettemin had hij voor zijn romans veel waardering en in 1841 en 1842 vertaalde hij bovendien drie gedichten in De Gids.

In 1841 verscheen ook de eerste Nederlandse vertaling van sprookjes van Andersen. In Denemarken had hij zijn sprookjes voor het eerst in 1835 gepubliceerd, tot 1872 zou hij regelmatig nieuwe schrijven. Drie jaar later stierf hij. Nederlandse vertalingen lieten meestal niet lang op zich wachten, al duurde het tot 1931 voordat de eerste volledige uitgave werd uitgebracht met illustraties van Rie Cramer. Pas nu, 62 jaar later, is van alle 156 sprookjes en verhalen een nieuwe vertaling gemaakt door Annelies van Hees, wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. Het boek dat bij Lemniscaat is uitgegeven bevat meer dan 200 tekeningen van tien illustratoren onder wie Fiel van der Veen, Nicolas van Pallandt en Charlotte Dematons.

Een selectie uit deze schetsen is te zien in het Open Haven Museum in Amsterdam, waar ter gelegenheid van de nieuwe uitgave de tentoonstelling Andersen in Nederland is georganiseerd. In de voormalige aankomst- en vertrekhal van het KNSM-gebouw aan het IJ hangt het nieuwe werk naast originele tekeningen van Rie Cramer en illustraties van onder anderen Lidia Postma, Charley Toorop, T. van Hoytema en Thijs Mauve.

De expositie gaat ook in op Andersens bezoeken aan Nederland en aan de Nederlandse vertaaltraditie van zijn sprookjes. Voor kinderen heeft ontwerper Jacques Kriek in kijkdozen een aantal verhalen uitgebeeld; wie ze niet herkent kan in de leeshoek terecht waar alle sprookjes op dikke houten platen zijn afgedrukt. Van die platen zijn 156 boeken gemaakt waarvan sommige het formaat en de omvang van een telefoonboek hebben.

De expositie wordt ingeleid door een reizende tentoonstelling over leven en werk van de schrijver, afkomstig uit het H.C. Andersen Huis in Odense. Daar, in Odense, werd Andersen in 1805 geboren als zoon van een arme schoenmaker. Zijn vader stierf toen Andersen elf was, waarna zijn moeder als wasvrouw het geld moest zien te verdienen. Andersen heeft later haar tragische leven geportretteerd in "Zij deugde niet'.

Op 14-jarige leeftijd vertrok hij naar Kopenhagen om daar zijn geluk te beproeven. Hij leidde er een tijd lang een armoedig bestaan, waar pas verandering in kwam toen hij Jonas Collin ontmoette, een invloedrijke notabele van de stad die zich over hem ontfermde. Andersen begon toneelstukken, gedichten en romans te schrijven en vooral met zijn poëzie en proza had hij succes. Van het geld dat zijn werk opbracht ging hij reizen door Europa, vaak om een hopeloze liefde uit zijn gedachten te bannen. Onderweg hield hij altijd nauwkeurig een dagboek bij, zo noteerde hij op 13 juni 1847 over Holland: “een bizonder vriendelijke en propere indruk: alle stadjes zien er zeer welvarend uit.”

Als Andersen hier was logeerde hij meestal bij het echtpaar Brandt op de Herengracht in Amsterdam. Hij bezocht meer dan eens de dierentuin waar de nijlpaarden steeds zijn speciale belangstelling hadden. 's Avonds ging hij naar de schouwburg (“De schouwburg ziet er armelijk uit, de drie etages waren propvol.”) of naar schrijvers als Jacob van Lennep en Ten Kate en las er zijn sprookjes voor.

Andersen maakte er een gewoonte van zijn sprookjes, ook als die nog niet klaar waren, in zijn vriendenkring voor te lezen. De reacties van zijn publiek hielpen hem zijn tekst bij te schaven. Bij het schrijven putte hij inspiratie uit zijn eigen roerige leven en veel sprookjes bevatten dan ook autobiografisch materiaal. Slechts een achttal verhalen baseerde hij op bestaande volkssprookjes en "Het meisje met de zwavelstokjes' schreef hij in opdracht van een almanak die hem een plaatje had gestuurd van een arm klein meisje.

Hoewel nieuwe bundels met sprookjes regelmatig verschenen keek men er in Denemarken aanvankelijk op neer: de algemene opvatting was dat een literator zich niet met dit genre diende in te laten. Die mening veranderde pas toen zijn werk in Duitsland veel succes had en via het Duits in andere talen werd vertaald.

Van veel vertalingen die in Nederland zijn verschenen zijn op de tentoonstelling uitgaven verzameld. Daarbij zijn veel bewerkingen, navertellingen en vertalingen van vertalingen die soms weinig meer gemeen hebben met de oorspronkelijke teksten. Hoe zeer er mee gerotzooid is wordt duidelijk als men de verschillende versies van "Het lelijke jonge eendje' met elkaar vergelijkt die in de zaal liggen uitgestald.

De nieuwe editie van Annelies van Hees daarentegen maakt een degelijke indruk. Haar vertaling blijft in de buurt van de vertaling die W. van Eeden in 1931 maakte en draagt ook sporen van de uit 1901 daterende vertaling van 47 sprookjes door M. van Eeden-Van Vloten. Het taalgebruik van Van Hees is moderner en woorden als boezelaar en logement zijn zodoende veranderd in schort en herberg. Wat ook afwijkt is de volgorde van de sprookjes: Van Hees heeft de chronologie aangehouden zoals vastgesteld in de wetenschappelijke Deense uitgave. Opmerkelijk is dat haar zinnen korter en ritmischer zijn dan die in voorgaande versies: ter bevordering van de leesbaarheid heeft ze de vaak lange omslachtige zinnen en bijzinnen van Andersen in overzichtelijke stukken gehakt.

Bij herlezing van het werk valt op dat sommige sprookjes, zoals "De rode schoentjes' en "Het meisje met de zwavelstokjes', veel religieuzer zijn dan in de herinnering is blijven hangen en bovendien een nadrukkelijk moralistische toon hebben. Ze zijn ook vaak gruwelijk eng en met de hoofdpersoon loopt het niet zelden slecht af. Anders dan de gebroeders Grimm, hield Andersen in zijn sprookjes nauwelijks rekening met de tere kinderziel van zijn jonge lezers. Maar eerlijk is eerlijk: zou "De kleine zeemeermin' even aangrijpend zijn als de prins wel met de zeemeermin was getrouwd?

Wie de minder bekende sprookjes voor het eerst onder ogen krijgt wordt juist verrast door de lichte toon en de weinig voordehandliggende voorwerpen die daarin de hoofdrol spelen: een bal, een tol, een halsboord, een stopnaald. Dan blijkt dat Andersen heel goed wist wat kinderen aanspreekt. Ook Hasebroek was daarvan overtuigd, zoals valt op te maken uit deze opmerking in Eene Soirée met Andersen, dat hij schreef naar aanleiding van diens 70ste verjaardag op 2 april 1875:

“En nu is het geen toeval, dat Andersen vóór alles een zoo verrukkelijke kinderschilder is: dat komt vandaar, omdat hij zelf zooveel kindertrekken in zijne persoonlijkheid heeft, die gij op elke bladzijde in zijne werken en vooral ook in zijn sprookjes wedervindt. Hij vereenigt twee groote en zeldzame gaven: de ontwikkeling van een rijkbeschaafden geest met de naïviteit van een kind.”

    • Noor Hellmann