En nu Nederland

Na twee weken afwezigheid stel ik, terug in het vaderland, vast dat het debat over Europa, waar iedereen om roept, nog steeds niet van de grond is gekomen. Dat verbaast mij niets, want ik heb ruim dertig jaar lang weinig anders gedaan dan te proberen zo'n debat aan de gang te krijgen. Het enige resultaat van die pogingen is dat ik de naam van "anti-Europeaan' heb gekregen. Europa was immers in Nederland jarenlang een geloofsartikel, waar geen vragen over mogen worden gesteld.

Nu het debat niet spontaan is ontstaan, gaat de regering het kunstmatig verwekken - net zoals indertijd de Brede Maatschappelijke Discussie onzaliger nagedachtenis over de kernenergie. Die werd ook als pis-aller uit de hoed getoverd, omdat kabinet en parlement hun vingers aan dit onderwerp niet durfden branden. Schijndemocratie.

Ook de crisis die de afgelopen drie weken in Europa is uitgebarsten, lijkt hier weinig aan te hebben veranderd. We laten het maar gelaten over ons heen komen. Zeker, er is veel over het krappe Franse ja, de val van het pond en de Brits-Duitse ruzie geschreven, maar zelden heb ik de vraag gesteld gezien wat dit allemaal voor Nederland betekent.

De Volkskrant bracht wel, daags na het Franse referendum, Nederlands positie ter sprake: het “zal afscheid moeten nemen van enkele dierbare Europese ideeën. Het kleine Franse "ja' betreft een confederaal en niet een federaal Europa”.

Volkomen akkoord, maar die waarheid wisten we wel al sinds "zwarte maandag' 30 september 1991, toen Nederlands Europese ideeën, in de woorden van minister Van den Broek, "als een gieter' afgingen.

Deze krant benaderde de vraag naar Nederlands positie nog het dichtst. In het hoofdartikel van 21 september werd gesteld dat “het aloude Nederlandse dilemma weer dreigt te herrijzen. Hoezeer ook de Britten kan worden verweten niet altijd serieus met Europa om te gaan, het is een juist en historisch gedocumenteerd vaderlands dogma dat zij erbij horen. Zeker in Nederland behoort niet lichtvaardig te worden gedaan over de kwade kans van een Brits afhaken.” Alweer volkomen akkoord, maar als dat toch gebeurt, wat dan?

De kwestie is namelijk dat Nederlands handelingsvrijheid na het feitelijke wegvallen van Engeland nog kleiner is geworden dan zij al was. Merkwaardig genoeg was het staatssecretaris Dankert die, op 22 september in de Volkskrant, de grenzen van die vrijheid meedogenloos aangaf. Sprekend over het gebrek aan discussie in ons land over verlies aan nationale soevereiniteit zei hij:“Het speelt hier niet zo erg. Rotterdam en Schiphol, iedereen weet dat die niet bestaan zonder achterland. De soevereiniteit van de gulden, die wordt toch grotendeels door de Bundesbank gepaald (...) Bij ons speelt veel meer het effect van if you can't beat them, join them. Wij weten hoe belangrijk de Duitsers zijn. Dat bewustzijn is hier diep doorgedrongen”.

Hier geen mooie praatjes meer over Nederlands invloed of Europese solidariteit. Keihard wordt hier gezegd dat Nederland van Duitsland afhankelijk is en dat die afhankelijkheid nog in ons belang is ook. Het is even wennen dit een staatssecretaris van buitenlandse zaken te horen zeggen, maar het is er niet minder waar om. Na Engelands feitelijke zelfuitschakeling is het nog meer waarheid geworden.

Iedere discussie over Nederlands positie in Europa behoort van dit feit uit te gaan. Zo heeft het geen enkele zin te roepen dat we tegen een Europa van twee of meer snelheden zijn - in welke mogelijkheid Maastricht overigens voorziet, met zijn stringente voorwaarden voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie, waaraan een aantal landen zeker niet zal kunnen voldoen -: als Duitsland en Frankrijk zo'n Europa op de één of andere manier willen, dan gaat Nederland, gebonden aan Duitsland als het is, gewoon mee.

De enige vraag is of zo'n Europa ook onvermijdelijk politieke gevolgen zou hebben, in de zin bijvoorbeeld van Nederlands deelneming aan een Eurokorps (waar het nu mordicus tegen is). Dat is op dit ogenblik moeilijk te overzien. Eerst zal moeten blijken of Frankrijk werkelijk bereid is zijn politiek ondergeschikt te maken aan een internationaal, om maar te zwijgen van een supranationaal, gezag. De uitslag van het referendum wijst niet in die richting. Overigens kan die vraag waarschijnlijk binnenkort ook ten aanzien van Duitsland gesteld worden.

In elk geval is het Nederlands belang zijn afhankelijkheid met zoveel mogelijk anderen te delen. Als Engeland, Italië, Griekenland, Spanje en Portugal niet aan de door de D-mark bepaalde voorwaarden van een kern-Europa kunnen voldoen, dan is het ons belang dat landen als Zweden, Denemarken, Zwitserland en Oostenrijk eraan meedoen.

Frankrijk zal zich daar wel tegen verzetten, maar zo'n uitbreiding lijkt wèl ook een Duits belang te zijn, en daarom ligt hier een terrein waar Nederland wellicht nog enige invloed kan laten gelden. De moeilijkheid is echter dat Nederland, dat zich de kleinste van de groten waant, zijn betrekkingen met de kleinen altijd heeft verwaarloosd. Ook Van den Broek was liever goede maatjes met “mijn vriend Douglas Hurd” - een belachelijke opmerking (in zijn Hollands Dagboek van 26 september), want vrienden bestaan niet in de diplomatie - dan met zijn Deense of zelfs Belgische en Luxemburgse collega's. Dat wreekt zich wellicht binnenkort.

En wat Duitsland betreft: minister-president Lubbers moet dan niet in een brief premier Major vragen tegenwicht te bieden aan dat land. Misschien heeft hij dit ook niet gedaan, maar het is vrijwel de enige opmerking in de versie die The Daily Telegraph van die brief heeft gegeven, waarvan de Rijksvoorlichtingsdienst niet ontkend heeft dat zij in de brief staat.

Zo onwaarschijnlijk is die opmerking niet, want Lubbers is - gezien zijn Tilburgse toespraak van 15 januari 1990 waarin hij, Van den Broeks woede opwekkend, waarschuwde tegen een Duitse hereniging, die voor de deur stond - in staat tot zulke tactische en strategische misschattingen van de internationale situatie.

Als Nederland nog enige invloed wil kunnen uitoefenen, dan moet het niet over de Britse band spelen, want Engeland heeft zelfs nog nauwelijks invloed in Europa. Het is helaas waar: Engelands tegenwicht, dat altijd zo belangrijk was in de Nederlandse politiek, is voor afzienbare tijd verdwenen. En als Engeland ooit weer in staat en bereid zou zijn zijn gewicht in de Europese schaal te werpen, zal het dat niet doen om de mooie ogen van de kleinen.

Dit zo zijnde, is het op z'n minst niet een Nederlands belang Duitsland, waarvan het afhankelijker is dan ooit, onnodig - let wel: onnodig - te ergeren en de indruk te wekken dat we, in een geschil, waarin bovendien het Duitse gelijk groter is dan het Engelse, de partij van het laatste land kiezen. Laten we dus hopen dat de versie van Lubbers' brief die tot ons is doorgedrongen, ook wat dat betreft verkeerd is.

Hoe dit ook zij - de toestand is weer grondig veranderd sinds minister Van den Broek, overigens bijna drie jaar te laat, op 17 september te Leiden zijn fundamentele rede over de toekomst van het Nederlandse buitenlandse beleid hield. Zo'n rede zal hij wel zo gauw niet weer houden, want het is niet prettig te moeten vaststellen dat dat beleid in feite afhankelijk is van één mogendheid, en nog wel één waarvan het innerlijk gestel zo onzeker is als dat van Duitsland.

    • J.L. Heldring