"Een gebit is even uniek als een vingerafdruk'; "Het verzamelen van informatie kan wijken voor de veiligheid'

AMSTERDAM, 6 OKT. "RIT' staat met grote letters op de wagens die langzaam het terrein voor de ingestorte flats oprijden. Leden van het Rampen Identificatie Team stappen uit en nemen de ravage in ogenschouw. “Je beschrijft alles wat je ter plekke aantreft”, zegt woordvoerder A. Folgerts.

In de ingestorte flat hebben zeer hoge temperaturen geheerst. “Toch probeer je zoveel mogelijk informatie uit de omgeving van het slachtoffer te verzamelen. Dat kunnen privé eigendommen zijn uit de woning van het slachtoffer, of een stoelnummer van een vliegtuig. Maar ook waar lag het, hoe het lag, wat er omheen lag, enzovoorts.”

Het verzamelen van informatie kent grenzen. Die grenzen mede worden bepaald door de brandweer, die over de veiligheid waakt. “Soms moet het verzamelen van informatie wijken voor veiligheid. De brandweer kan zeggen: haal in één keer tien lijken weg en laat het huis instorten, dan kunnen we verder. In dat geval verliest de keizer zijn recht.”

Het RIT bestaat uit een vaste kern van dertig mensen van de rijkspolitie. Door jaren van gedeelde ervaringen bij allerlei rampen is het een hecht team geworden, zegt Folgerts. Aan die vaste kern kunnen andere politiemensen worden toegevoegd, naar gelang de omvang van de ramp. Op dit ogenblik zijn er vijftig man van de technische en de tactische recherche bij betrokken.

“Den Haag heeft net een ramp gehad. Het zou kunnen dat Haagse collega's om bijstand wordt gevraagd.”

Vandaag moeten de leider van het RIT en het sectorhoofd technische identificatie uit Katmandu terugkeren. Daar ondersteunden zij het identificatieonderzoek naar de slachtoffers van het vliegtuigongeluk van vorige week in Nepal, waar twaalf Nederlanders bij omkwamen.

Nadat een stoffelijk overschot, met de hulp van de brandweer uit het puin van de Bijlmerflats is gehaald, gaat het - met de informatie die op de rampenplek is verzameld - naar een tijdelijk mortuarium. In dit geval een hangar op Schiphol-Oost. Daar onderzoeken technische rechercheurs het lichaam verder op "herkenningstekens'.

Met een loep wordt het lichaam onderzocht. Er worden vingerafdrukken genomen. Er wordt gezocht naar sieraden, kledingresten of littekens. Soms is DNA-onderzoek nodig. “Inwendig onderzoek aan het lichaam mag een politieman niet doen. Dat moet een patholoog-anatoom verrichten.” Ook een tandarts maakt deel uit van de basiseenheid technische identificatie.

De Groningse orthodontoloog B. van Kuijl bijvoorbeeld is als extern deskundige vast verbonden aan het RIT. Het gebit is een voor de hand liggend deel van het lichaam dat bij een moeilijke identificatie uitsluistel kan geven, omdat het binnen in het hoofd goed beschermd is. De orthodontoloog neemt geen wasafdrukken van het gebit. “Dat geeft slechts informatie over de vorm en daar kunnen we niks mee.” De orthodoloog, die forensisch werkt moet kunnen vergelijken tussen de zogeheten ante- en post mortem situatie. “Wij zijn geïnteresseerd in het werk dat de tandarts bij het leven van het slachtoffer heeft verricht, en dan vooral in de materialen die hij heeft toegepast. Witte- of amalgaamvullingen, kroon- en brugwerk, prothesen.” Het post mortem onderzoek wordt vergemakelijkt wanneer röntgenfoto's van een gebit bestaan. Per tand of kies wordt op papier een codenummer gezet. “Daarop staat of en zo ja waar en met welke materialen tandheelkundig werk is verricht.” Dat geeft even uniek beeld als een vingerafdruk. De weerslag van ante- en post mortem onderzoek wordt ingevuld op twee lijsten die tachtig vragen bevatten, die daarna naast elkaar worden gelegd.

De informatie op de plek van de ramp en op het lichaam, wordt verzameld volgens vaste protocollen. Gelijktijdig wordt over de informatie die is aangetroffen op de plek van de ramp en de informatie, die op het lichaam is ontdekt, contact opgenomen met de nabestaanden. Dat contact loopt via de tactische recherche. Die laat de nabestaanden omschrijven hoe iemand eruit zag.

“Iemand vertelt bijvoorbeeld dat zijn tante een beenprothese had. Wanneer je dan een lichaam vindt van iemand met een beenprothese wil dat niet meteen zeggen dat je de tante van die persoon hebt. Maar het is een aanwijzing waardoor je verder kan zoeken. Misschien is er nog een vingerafdruk van tante te vinden die vergeleken kan worden met vingerafdrukken van het gevonden lichaam.”

Nadat informatie over de omgeving van het slachtoffer, herkenningssporen op en in het lichaam en gegevens van de nabestaanden zijn vergeleken, kan er pas een identificatie volgen. “Het is puur recherchewerk”, zegt Folgerts. “Daarom is het zo belangrijk dat je al tijdens de berging met een recherche-oog rondkijkt. Je kan wel naar de plaats van het misdrijf teruggaan, maar kunt maar één keer een lichaam bergen.”

Aan berging en identificatie zitten emotionele kanten. Tijdens het delicate identificatie-onderzoek wordt gepoogd de gevoelens van nabestaanden zoveel mogelijk te ontzien. Zo hebben rechercheurs die met de nabestaanden in contact komen, nooit onderzoek verricht aan de lichamen. Andersom worden politie-mensen die de technische identificatie doen en de lichamen moeten aanraken, uit moeten kleden en dergelijke, nooit contact met de nabestaanden. “Iemand van de technische recherche zal zijn collega van de tactische recherche voorstellen: "vraag eens aan de nabestaanden of het slachtoffer een spijkerbroek aan had'. Die twee werelden moet je gescheiden houden omdat je anders de emoties niet in de hand houdt.” Folgerts noemt het identificeren "een heel treurig werk'. “Maar het moet wel gebeuren. Iedere nabestaande wil zekerheid. Anders blijft er de irrationele hoop dat degene die is vermist nog leeft. Dat is ook een drijfveer voor veel politiemensen om dit te doen.”

Wie bij de politie werkt kan niet zomaar solliciteren bij het RIT. Collega's kijken of iemand in het team past en bevelen hem dan aan. “Je staat een paar dagen aan een tafel met de lichamen. Dan moet je elkaar in de gaten kunnen houden. Je moet zien wanneer iemand aan de toppen van zijn zenuwen zit.”

Van Kuijl vindt het een "eer' die hem ten deel viel, toen hij werd uitgenodigd deel uit te maken van het RIT. “Het is een team met een bijzonder elan”.

    • Hans Moll