De City wacht op economisch plan

Nog drieëntwintig nachtjes slapen. Dan weten we wat minister Norman Lamont, kanselier en schatbewaarder van de Britse staatskas, precies bedacht heeft als nieuw economisch beleid. Hij gaat dat uiteen zetten voor de Lagerhuiscommissie voor financiën, die op die dag bijeen komt. Er zullen dan zes weken zijn verstreken sinds Zwarte Woensdag, waarin niemand weet wat de regering wil. De inflatie bestrijden, zeggen John Major en Norman Lamont eendrachtig. De kiezers, de City en de partners in Europa willen weten hoe. Minister Lamont houdt ze schijnbaar zorgeloos in spanning en roept dat het allemaal goed komt.

Het kan heel wel zijn, dat de minister geen drieëntwintig dagen krijgt om dit liedje uit te zingen. John Major mag dan vastbesloten lijken loyaal achter zijn kabinetscompaan te blijven staan, maar het is niet uitgesloten dat hij Lamont net zo zal moeten laten vallen, als hij uiteindelijk de overspelige David Mellor heeft moeten laten gaan. Die ging onder druk van de tabloids, de populaire tot schandaalpers. Als Lamont aftreedt is het vooral onder pressie van de broadsheets, de kwaliteitskranten:van de regeringsgezinde Daily Telegraph tot de Financial Times wordt geroepen om zijn verwijdering. Niet eens zozeer omdat deze minister gepresideerd heeft over de diepste recessie van na de Tweede Wereldoorlog. Evenmin primair omdat hij het publiek keer op keer “de groene scheuten van herstel” in het vooruitzicht heeft gesteld, zonder dat het ook echt economisch voorjaar werd. Nee, de belangrijkste reden is, dat deze minister zich - en daarmee impliciet de regering-Major - heeft gediskwalificeerd als een betrouwbaar bewindsman. Iemand die de Britse deelname in de ERM eerst hardnekkig verdedigt als de hoeksteen voor zijn economisch beleid om vervolgens van de ene dag op de andere als een blad aan de boom om te draaien en de zegeningen van het zwevende pond te prediken, spreekt zichzelf tegen.

“Mr Lamont is gewoonweg niet de man om een nieuw economisch beleid met overtuiging te verdedigen. Wat hij zegt - met zijn lijst van monetaire indicatoren en zijn beloftes om overheidsuitgaven verder terug te dringen - is : “heb vertrouwen in mij”. Maar waarom zou het land hem vertrouwen?” vroeg de Financial Times zich vrijdag jl. in een hoofdartikel af.

Achtereenvolgende Conservatieve chancellors hebben er een gewoonte van gemaakt de bankrente vlak vóór het jaarlijkse partijcongres met een half tot één procent te verlagen, om zo het voetvolk in of Brighton of Blackpool een tevreden gevoel te geven. Een dergelijk zoethoudertje zit er deze week niet in. Gisteren dook het pond op de valutamarkt naar een nieuw dieptepunt: van de tegenwaarde van D-Mark 2.78 (de laagst toegestane waarde binnen het ERM) landde het nu aan op het niveau van D-Mark 2.37. “De City” demonstreert daarmee pijnlijk direct háár gebrek aan vertrouwen en wel op een moment dat het Britse kabinet zich buigt over de oplossing van een begrotingstekort, dat ver dreigt uit te stijgen boven de geraamde 4,5% van het BNP.

Aan de vooravond van het spannendste Conservatieve Partijcongres sinds jaren, worden Major en Lamont dus vrijwel gedwongen door de omstandigheden om 1) de renteverlaging van 1% na het verlaten van de ERM ongedaan te maken; 2) sterk te besnoeien in overheidsuitgaven, terwijl een stijgend leger van werklozen daarop een beroep doet; 3) een belastingverhoging in plaats van een beloofde belastingverlaging te overwegen. Dat zijn lastige programmapunten voor een partij die er prat op gaat de politieke partij voor belastingverlaging te zijn en die op dat argument net de verkiezingen heeft gewonnen. Deze week zal dan ook staaltjes van buitengemene acrobatiek van de legendarisch tactische Conservatieve partijleiding vragen, willen Major en Lamont niet voor het oog van hun eigen partij door de mand vallen.

Het is een versleten beeldspraak, maar het spook van de recessie waart ondertussen als de-man-met-de-zeis door het land. Het onderzoeksbureau Dunn & Bradstreet publiceerde vorige week cijfers waaruit bleek dat 1200 (kleine) bedrijven per week failliet gaan. Op een kaart van Groot Brittannië spreiden de zwarte plekken van bedrijfssluitingen en ontslagen zich uit van het welvarene zuid-oost Engeland tot aan het zwaar-gesubsidieerde Noord-Ierland. Puur Britse kwaliteit en traditie, voor zover nog overeind gebleven, gaan nu ook ten onder: British Aerospace (900 ontslagen), Rolls Royce (950 ontslagen), Ford (1310 ontslagen), British Coal (2800 ontslagen). In de bouwindustrie gaan volgens cijfers van de werkgevers in deze sector het laatste jaar 580 banen per dag verloren en verwacht wordt dat tot eind 1992 nog eens 50.000 mensen zullen worden ontslagen. Daar gaat de zogenaamde Thatcher-revolutie: uitgewist door een economisch beleid, dat weifelde tussen aansluiting bij Europa en eigenmachtig opereren en daardoor aan twee kanten de boot miste.

    • Hieke Jippes