Boven Conservatief congres in Brighton hangt zware storm

BRIGHTON, 6 OKT. Lord Beaverbrook, kleinzoon van de grote kameraad van Winston Churchill in de oorlog, is failliet. His Lordship kwam vorige maand op een beslissend moment enkele miljoenen guldens te kort om zijn zakelijke belangen overeind te houden en moest toezien hoe curatoren beslag legden op zijn bezittingen.

Het verhaal zou de moeite van het vertellen niet waard zijn, ware het niet dat Lord Beaverbrook de penningmeester van de Conservatieve Partij is. De symboliek ligt voor de hand: penningmeester failliet, partij failliet. Partij failliet, leider failliet. Leider failliet, regering aan het wankelen.

Vandaag is in Brighton het partijcongres van de Britse Conservatieven begonnen. De Tories gaan een week tegemoet waar, als de voortekenen niet bedriegen, de stukken van af zullen spatten. Ook al zijn de partijcongressen van de Conservatieven vermaard om hun strakke regie, het lijkt onvermijdelijk dat er harde woorden zullen vallen. Europa en de economie zijn de twee onderwerpen die de partij van onder naar boven - tot in het kabinet zelf - verdeeld houden. Traditioneel is een belegerde Tory-partij geneigd de rijen te sluiten bij kritiek van buitenaf. Dit keer is het gekrakeel al losgebarsten vóór het eerste openingsgebed in Brighton is gezegd.

John Major had het zich ongetwijfeld allemaal heel anders voorgesteld. Brighton 1992 had het congres moeten worden waar de premier en de zijnen zouden worden toegejuicht voor het behalen van de verkiezingsoverwinning. Voor het eerst had Major volledig “his own man” kunnen zijn: weg uit de schaduw van Margaret Thatcher en met een rechtstreeks mandaat van de kiezer. Aan die glorie zou nog zijn bijgedragen door het besef dat Groot-Brittannië dit halfjaar het voorzitterschap van de Europese Gemeenschap bekleedt. Dat zou de regering-Major de kans geven unieke Britse stuurmanskunst aan het roer van de Gemeenschap te demonstreren. Maar hoe anders is het gelopen. Binnenslands verkeert de triomf in een nederlaag en het voorzitterschap van Europa zal als een van de meest desastreuse mislukkingen in de geschiedenis van de Gemeenschap worden bijgeschreven.

Het aanzien van de premier bij de Britten is volgens de opiniepeilingen van dit weekeinde gezakt tot het laagste niveau ooit in zijn periode als eerste minister. De waardering voor de regering als geheel is lager dan ooit in de afgelopen tien jaar, de zogenaamde Thatcher-jaren.

Pag.4: Major wordt in eigen partij van twee kanten aangevallen

“Zwarte Woensdag”, de dag dat de regering haar woord brak en effectief het pond devalueerde door zich terug te trekken uit het EMS, blijkt voor de meeste Britten - zoals dat hier heet - het laatste strootje op de rug van de kameel. Na al die beloften in het Conservatieve verkiezingsmanifest in april jongstleden doet deze regering precies het tegenovergestelde van wat zij heeft beloofd: zij trekt zich terug uit het EMS, zij zaait twijfel over haar oprechtheid inzake Europa en - ergste van alles - zij breekt haar belofte over een eind aan de economische recessie.

Alsof al dat wantrouwen bij het grote publiek nog niet erg genoeg is, wordt Major ook nog in de rug aangevallen door prominente partijgenoten. Zijn vroegere baas op het ministerie van financiën, de arrogante Nigel Lawson, heeft eindelijk het boek af, waaraan hij is gaan schrijven sinds zijn spectaculaire vertrek uit het kabinet van Margaret Thatcher in de herfst van 1989. Lawson neemt geen blad voor de mond bij de beschrijving van de botsingen met zijn premier en haar economische adviseur, professor Alan Walters, maar haalt en passant ook John Major onderuit. Die leek, schrijft Lawson, toen als staatssecretaris van financiën al “niet helemaal opgewassen tegen de eisen van zijn taak”.

Dan is er nog Lord (Norman) Tebbit, spreekbuis voor Margaret Thatcher wanneer die het taktisch verstandiger vindt even haar mond te houden over de “kwaliteit van het tweede garnituur”, die zij haar opvolger toedicht. Tebbit zegt wat Thatchers anti-Europese lobby denkt en waarschuwt voor een “geschaafde en gewonde partij” als resultaat van Majors uiteindelijke besluit zijn partij het Verdrag van Maastricht toch later dit jaar door de strot te drukken.

Tebbit op zijn beurt wekte weer de gram van ex-minister van buitenlandse zaken Geoffrey Howe, de tweede bewindsman die aftrad omdat hij zich niet kon verenigen met Thatchers anti-Europese opstelling. Howe noemt Tebbit “een draaikont”, daarmee bewijzend dat zijn verbale uitvallen nog steeds gelijk staan aan een “aanranding door een schaap”.

Virtuoos verbaal geweld daargelaten (waarom wordt er in de Nederlandse politiek niet snediger beledigd?), het is duidelijk dat de anti-Europeanen in de partij zich deze week niet zullen laten afschepen met het zoethoudertje, dat Groot-Brittannië voorlopig buiten het EMS blijft. De vraag is alleen of zij de kans krijgen anti-Europese sentimenten in de congreszaal zelf te uiten. De Tebbits, de Bakers (Kenneth) en de Taylors (Sir Teddy) zijn door de congresleiding handig naar de zijlijn gemanoeuvreerd en zullen voornamelijk, in de zogenaamde "fringe' van het congres, groepjes belanghebbenden toespreken.

The Guardian wees er gisteren op dat deze situatie het precieze spiegelbeeld is van het begin van de jaren tachtig. Toen moesten pro-Europeanen als Heseltine en Howe het vergaderzaaltjescircuit aflopen om hun visie - afwijkend van die van partijleider Margaret Thatcher - aan de achterban uitdragen.

Nigel Lawson schrijft in zijn boek (* "A view from Number 11', volgende maand leverbaar) dat Thatcher hem, en later Geoffrey Howe, in april 1989 verbood het onderwerp van een Britse toetreding tot het EMS nog ooit bij haar ter sprake te brengen. “I must prevail”, (“Wat ik zeg, gebeurt”), voegde zij Lawson toe.

Nu John Major sterling eerst het EMS in en vervolgens weer uit heeft gevoerd, is mevrouw Thatcher, waar zij ook gaat, een wandelend "ik heb het je wel gezegd' geworden. Haar verschijning op het partijcongres zal dan ook een concentratiepunt voor de anti-Europeanen op de rechtervleugel worden. Het moment, vermoedelijk donderdagochtend, wordt dan ook met enige nervositeit door de congresleiding afgewacht.

Maar de pro-Europeanen verwachten van Major ook het volle pond. Het zit hun niet lekker dat de premier de indruk heeft gewekt dat hij geen strategie had om te voorkomen dat Groot-Brittannië in Europa in de baan voor langzaam verkeer terechtkomt. Nu hij ratificatie van het Verdrag van Maastricht in het Lagerhuis heeft beloofd, halen zij weer enigszins opgelucht adem.

Maar dan is er nog de aanblik van minister Lamont, die zich enthousiast bekeerd lijkt te hebben tot het dogma van de zwevende pond, ver weg van de beperkingen van een Europees systeem van vaste wisselkoersen. Wat de premier ook zegt, Lamont geeft Groot-Brittannië een anti-Europees gezicht.

John Major gaat dus de belangrijkste week van zijn premierschap - en misschien wel van zijn hele politieke carrière - tegemoet. "Teflonman' heeft krassen opgelopen die hij vrijdag aanstaande in de grote slottoespraak van de leider tot het congres moet camoufleren. Hij moet zijn pro-Europese geloofsbrieven opnieuw en overtuigend afgeven en tegelijkertijd de anti-Europeanen niet van zich vervreemden. En hij moet Europa en de wereld de indruk geven dat hij een economisch en politiek beleid heeft dat én geloofwaardig is én vast in zijn greep ligt. Dat moet, zelfs voor de zoon van een acrobaat, een weergaloos staaltje hoogwerken zijn.