Bezuinigingen met een staartje

Hopelijk kan de minister-president volgende week de verleiding weerstaan. Een korte terugblik - tijdens de Algemene politieke en financiele beschouwingen - op het decennium van zijn premierschap zou voor de huidige coalitiepartner te bedreigend zijn. Het beleid van de drie kabinetten waaraan de heer Lubbers zijn naam heeft gegeven, wordt immers vooral gekenmerkt door continuïteit, en dat vooral bij pogingen om de collectieve uitgaven beter in het gareel te krijgen.

Met dit streven is succes geboekt, vooral dank zij inspanningen van de schatkistbewaarders Ruding en Kok. In 1983 bereikten de uitgaven van de overheid en de sociale fondsen een piek ter hoogte van 73 procent van het nationaal inkomen. Volgend jaar staat deze "uitgavenquote' op 62,4 procent. Anders gezegd, van elke in Nederland verdiende gulden loopt thans ruim een dubbeltje minder door de collectieve kassen. Nog anders gezegd, zou de uitgavenquote nog steeds op 73 staan, dan gaven overheid en sociale fondsen volgend jaar 55 miljard gulden meer uit dan zij nu van plan zijn. Dit resultaat spreekt des te meer aan, omdat de overheid in vergelijking met 1983 volgend jaar meer geld uitgeeft voor rente op de sterk gestegen staatsschuld (0,6 punt van het nationaal inkomen) en voor overdrachten aan het buitenland (0,9 punt extra voor betalingen aan de EG en voor ontwikkelingshulp).

De dalende trend van de uitgavenquote is bereikt door tien jaar lang om te buigen, te snoeien en te rooien in het oerwoud van de overheidsfinanciën. Het ogenschijnlijk fraaie resultaat is evenwel deels schijn. Voor een ander deel is het zaad gestrooid voor aanzienlijke tegenvallers in de rest van de jaren negentig. Een analyse van de collectieve uitgaven naar economische categorie maakt dit duidelijk.

De kredietverlening door de rijksoverheid is het sterkste gedaald. Zij liep na 1983 terug van vijf tot slechts één procent van het nationaal inkomen. De verklaring is simpel. Vroeger leende het Rijk vaak geld op de kapitaalmarkt om dit tegen hetzelfde rentepercentage direct weer door te lenen, met name aan investeerders in de sociale woningbouw. Tegenover een hogere staatsschuld kwam een vordering op gemeenten en woningbouwcorporaties te staan; tegenover door het Rijk verschuldigde rente stonden rente-ontvangsten. Sinds enkele jaren moeten de sociale volkshuisvesters echter zelf de kapitaalmarkt op, omdat het Rijk geen leningen meer wil verstrekken. De instellingen zijn hierdoor tegenwoordig duurder uit, omdat zij een hogere rente moeten betalen dan de minister van financiën, die door de markt nu eenmaal als de beste debiteur wordt beschouwd. Gevolg: door hogere kapitaallasten stijgt de kostprijs van nieuwe sociale woningbouw. Gegeven de personele inkomensverdeling komen bewoners van nieuwe huizen vaker en voor hogere huursubsidie in aanmerking. Ogenschijnlijk is bij de rijksuitgaven bezuinigd (op kredieten). Het beroep op de kapitaalmarkt voor de sociale woningbouw is evenwel niet geringer dan vroeger. In de loop van de jaren negentig ontvangt het Rijk steeds minder rente wegens vroeger verstrekte woningwetleningen, terwijl de uitgaven voor huursubsidie extra snel oplopen. Goedkoop blijkt weer eens duurkoop te zijn.

De op een na grootste bijdrage aan de daling van de uitgavenquote leverden de ambtenaren. De lonen en sociale lasten van het overheidspersoneel zakten sinds 1983 in totaal drie punten terug, tot 10,6 procent van het nationaal inkomen in 1993. Deze bezuiniging is allereerst bereikt door de afschaffing van het vroegere "trendbeleid' (de automatische koppeling van de ambtenarensalarissen aan de CAO-lonen) en via diverse andere salarisingrepen. Ter illustratie: de loonsom per werknemer in bedrijven steeg in de periode 1980-1992 in totaal met 55 procent. Bij de overheid was dit minder dan de helft (23 procent). De stapsgewijze verlaging van premies betaald aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) heeft daarnaast cumulatief 22 miljard gulden aan bezuinigingen opgeleverd. De premie bedraagt nu de helft van wat nodig zou zijn. Het is de bedoeling het Abp op afzienbare termijn te verzelfstandigen. Voordat het zover is, willen Abp-bestuurders en de ambtenarenbonden nog even afrekenen. Dit betekent vanaf 1994 een blijvende verhoging van de overheidsuitgaven met 1,5 tot 2 miljard gulden per jaar, tenzij de pensioenaanspraken van de ambtenaren worden aangepast. In de meerjarenramingen van de rijksuitgaven is voor premieverhoging geen geld gereserveerd.

Een daadwerkelijke bezuiniging is bereikt bij de inkomensoverdrachten aan gezinnen. Ondanks de forse groei van het aantal uitkeringsontvangers kromp het met subsidies en sociale uitkeringen gemoeide bedrag de afgelopen tien jaar met 2,6 punt in tot 30 procent van het nationale inkomen. Dit is vooral gerealiseerd door tussen 1983 en 1990 de bruto uitkeringen niet te verhogen en door de uitkeringen aan zieke, werkloos en arbeidsongeschikt geworden werknemers te verlagen van 80 tot 70 procent van het laatstverdiende loon.

De vermogensoverdrachten zijn de afgelopen tien jaar gehalveerd van 3 tot 1,4 procent van het nationaal inkomen, vooral door een forse beperking van de WIR-premies voor investerende ondernemers. Daartegenover werd de vennootschapsbelasting verlaagd (in 1988) en heeft het Rijk de financiering van de kinderbijslag overgenomen (1989). Voor het bedrijfsleven had de operatie weinig gevolgen. Het tegelijk verlagen van WIR-premies en belastingen is slechts een vorm van "balansverkorting'.

Ten slotte zijn de aankopen en investeringen van de overheid de afgelopen tien jaar met 1 punt van het nationaal inkomen teruggebracht. Inmiddels leeft algemeen het besef dat de investeringen voor milieu en infrastructuur drastisch omhoog moeten. Voor deze claim zijn in de meerjarenramingen volstrekt onvoldoende middelen gereserveerd.

Alles overziende, hebben de drie kabinetten-Lubbers de uitgavenquote vooral naar beneden gebracht door bezuinigingen met een staartje. Met name bij de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel en de overheidsinvesteringen ligt er voor de jaren negentig een ongedekte miljardenrekening.

    • Flip de Kam