Zwarthandelaar

In de bespreking van de tentoonstelling: Bezetting en bevrijding, te zien in het Verzetsmuseum te A'dam (NRC Handelsblad, 24 september) vraagt redacteur Steven Adolf zich af: “Wat doet in hemelsnaam een kar met verse snijbloemen tussen de illegale voedselhandelaren?”

Ik denk het verlossend antwoord op deze kwellende vraag te weten. Toen de oorlog in mei veertig uitbrak, was ik net zeven jaar geworden. Ik woonde destijds in Haarlem en kan niet zo heel veel van die tijd herinneren. Enkele dingen zijn me echter bij gebleven: het eten van suikerbieten en aan het eind van de oorlog een keer tulpenbollen. Wat ik ook nooit zal vergeten: de bloemenman, die iedere vrijdag of zaterdag met een grote hengselmand aan zijn arm door mijn moeder in de vestibule werd gelaten. De voordeur werd gesloten en mijn vader kwam er bij staan. Er werd druk onderhandeld en tot slot trok mijn vader zijn portefeuille.

Waarom? Deze bloemenman was een zwarthandelaar, die vlees tussen zijn bloemen verstopt had en dit (voor hoeveel, weet ik niet) te koop aanbood. Zo hadden we weer wat te eten. Wij als kinderen mochten hier natuurlijk nooit bij staan en met niemand erover spreken. Maar mijn moeder heeft me later verteld, dat ons gezin wellicht het leven te danken had aan deze man.

Het is nu haast vijftig jaar geleden, maar ik zie het zo voor me: door de glas-in-lood raampjes van de tochtdeuren, de ernstige gezichten van mijn ouders en het gezicht van die bloemenman.