VNO: Sportverzekering tegen risico en WAO

Een maand geleden deed voorzitter Huibregtsen van het Nederlands Olympisch Comité bij de presentatie van het rapport "Sport en maatschappij' een oproep aan de politiek om in de algemene beschouwingen - die morgen in de Tweede Kamer beginnen - meer aandacht aan sport te besteden. “De krachtigste signalen worden uitgezonden in de richting van de politiek”, vindt VNO-voorzitter Rinnooy Kan, lid van de stuurgroep die verantwoordelijk is voor het rapport. Voor het bedrijfsleven is er voor hem geen reden voor een sterk gewijzigde houding.

DEN HAAG, 5 OKT. Was er nu sprake van een sociaal of een professioneel risico als een van hen een blessure had opgelopen, vroegen Alexander Rinnooy Kan en Johan Stekelenburg zich af toen onlangs een elftal van de VNO tegen dat van de FNV (1-7) speelde. Ze hielden het op het laatste. Daarmee voorkwamen ze dat ze zelf onderwerp van een actuele discussie werden.

De VNO-voorzitter is van mening dat sporters een verzekering moeten afsluiten voor het geval ze door hun sportieve activiteiten in de WAO komen. Hij vraagt zich af “of het niet redelijk zou zijn van de burger zelf te verlangen dat hij een deel van het financiële risico van de werkgever overneemt”.

“Je kunt je afvragen in hoeverre het essentieel is dat de maatschappij in totaliteit opdraait voor het soms redelijk onvoorzichtige gedrag dat sommigen zich veroorloven in een sportieve omgeving.” Hij heeft het daarbij niet alleen over sporten in georganiseerd verband, maar ook over recreatieve sportbeoefing zoals skiën. De VNO-voorzitter meent dat een verzekering tegen de kosten die de samenleving moet dragen en de “flinke boete die de werkgever daaroverheen nog eens moet betalen”, denkbaar is. Hij is niet bang dat die verzekeringspremie een extra drempel kan betekenen voor mensen om aan sport te gaan doen.

In de vorige week opgelaaide discussie over de WAO noemde Rinnooy Kan sport en verkeer daarbij als treffende voorbeelden van onredelijkheid. Volgens hem heeft arbeidsongeschiktheid in zestig tot vijfenzestig procent van de gevallen een sociale oorzaak, waaraan de werkgever niets kan doen. “Sportblessures zijn daar prominent bij en de kosten daarvan worden in hevige mate gelegd bij de werkgever.” Volgens de Nederlandse Sport Federatie wijzen cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit dat in slechts vijf procent van de gevallen sport oorzaak is van een afkeuring. “Maar”, zegt Rinnooy Kan, “sport is een activiteit die mensen geheel vrijwillig in hun eigen tijd beoefenen. Deelnemen aan het verkeer doe je ook vaak omdat het moet. Daarvan zou je nog kunnen zeggen dat het een onvermijdelijke activiteit is.”

Staatssecretaris Elske ter Veld heeft de VNO-voorzitter inmiddels laten weten de stelling aan te durven dat sportmensen een kleiner risico lopen in de WAO te komen dan de niet-actieven.

In kringen van de georganiseerde sport werd het optreden van de VNO-voorzitter in de WAO-discussie een "Judasrol' genoemd. Nog geen maand geleden liet een stuurgroep, waarvan hij lid was, het rapport "Sport en maatschappij' het licht zien, waarin werd gewezen op het enorme maatschappelijke belang van de sport dat een nieuw bindmiddel van de samenleving zou moeten worden. Het rapport beoogt bij alle maatschappelijke geledingen, waaronder het bedrijfsleven, een andere houding ten opzichte van de sport te creëren en met name tegengas te geven op de stroom negatieve publiciteit over aangelegenheden als vandalisme en sportblessures.

In dat proces ziet hij slechts een bijrol weggelegd voor de ondernemers. “Ik heb het gevoel dat de krachtigste signalen worden uitgezonden in de richting van de politiek. Aan die kant liggen onbenutte mogelijkheden. Sport kan een vehikel zijn voor een positief beleid in de richting van bepaalde maatschappelijke problemen”, zegt hij. De bemoeienis van het bedrijfsleven met de sport is er via de sponsoring, waar de belangen in elkaars verlengde liggen. Met een financiële impuls van honderden miljoenen guldens aan sponsorgeld per jaar is het bedrijfsleven het fundament geworden waarop met name de topsport steunt, maar ook op lager niveau zou een groot deel van de activiteiten zonder die bijdrage niet kunnen worden ontwikkeld.

Wat Rinooy Kan betreft moet het daarbij blijven. “We bemoeien ons al met zoveel dingen dat dit niet direct een missie is voor het bedrijfsleven om buiten die lijn de organisatie van de sport te gaan beïnvloeden.” Ook niet als het gaat om het stimuleren van sportbeoefening, die positieve effecten voor ondernemingen zou kunnen hebben. Uit een Engels onderzoek blijkt dat werknemers die aan sport doen - ondanks de sportblessures - aanzienlijk minder vaak van hun werk verzuimen dat hun collega's die niet aan sport deelnemen. Die verschillen doen zich voor bij elke leeftijdcategorie en iedere inkomensgroep.

“De gezondheid van werknemers is primair hun eigen zaak”, vindt Rinnooy Kan. “Als je op een bescheiden manier iets kunt doen om ze te laten bewegen, zonder ze die verantwoordelijkheid af te nemen, is dat denkbaar. Maar het is zeker niet iets waar we hele zware aanbevelingen over gaan doen.” Als blijkt dat sportende werknemers minder afwezig zijn is er met de VNO “goed te praten over een beloning voor dat gewenste gedrag van arbeidsverzuim. Dat hoeft zich niet tot de sport te beperken.”

    • Peter de Jonge