Staak de jacht op Europese zondebok

In hun verwarring over de perikelen waarin de ratificatie van het met zoveel moeite tot stand gebrachte verdrag van Maastricht is verzeild, doen regeringskringen in de twaalf lidstaten enerzijds soms lofwaardige moeite om - zij het wel zeer laat - de burger uit te leggen wat er precies de inzet van is. Anderzijds moet men helaas een vlucht in alibi's en een jacht op zondebokken vaststellen. In dat kader is sinds enige tijd het prijsschieten op de Europese Commissie geopend. De Commissie zou met haar regelzucht en bureaucratie de schuld van alle ellende zijn. Destijds was zij al een geliefd doelwit van generaal de Gaulle (“apatride technocraten”), en later van Margaret Thatcher, maar nu is zelfs Bondskanselier Kohl - overigens een bewonderaar van Jacques DeLors in minder roerige dagen - tot een aanval op de Brusselse bureaucratie overgegaan. Weliswaar voegde hij daaraan toe dat ook de nationale bureaucratieën hun aandeel hebben in de Brusselse gebeurtenissen, doch dat haalde de krant nauwelijks.

De Commissie als zondebok, dat schijnt nu de kern van de strategie te worden waarmee de publieke opinie moet worden overtuigd dat met haar twijfels terdege rekening wordt gehouden en dat Maastricht niet in werking zal treden zonder dat de positie van de Commissie wordt beknot.

"Minder macht bij EG-Commissie', meldde deze krant op 1 oktober jongstleden, boven een bericht van correspondent Folkert Jensma uit Brussel. Iedere lidstaat zou de mogelijkheid krijgen de Raad van Ministers van de EG schorsing te vragen van concept-wetsvoorstellen van de Commissie, waartoe dan met gewone meerderheid besloten zou kunnen worden. De maatregel zou al op 5 oktober door de ministers van buitenlandse zaken in Luxemburg aangenomen kunnen worden! Voorwaar een miraculeus snelle en oersimpele oplossing voor het indammen van die vermaledijde Brusselse bureaucratie.

En terwijl Maastricht geteisterd wordt door problemen rondom de ratificatie, kan deze ingreep zomaar, zonder parlementaire goedkeuring in de lidstaten, zonder publieke discussie, worden voltrokken. Waarom heeft men daar niet eerder aan gedacht?

Men heeft er niet eerder aan gedacht omdat men niet eerder een bliksemafleider nodig had. Men wekt de indruk een fundamentele wijziging in de rol van de Europese Commissie aan te brengen - en men ondermijnt daarmee wèl het gezag van de Commissie, zoals dat ook met de voortdurende aanvallen op haar regelmanie beoogd wordt - maar in wezen verandert men niets aan het systeem van besluitvorming in de Gemeenschap.

Bij iedere vergadering kan iedere minister altijd al ieder punt agenderen dat hij wenst, dus ook een hem onwelgevallig voorstel van de Commissie. Of zijn elf collega's met zijn wensen dienaangaande instemmen is een andere zaak, maar dat is ook in het "nieuwe' systeem een open vraag. Kortom, de zogenaamde wijziging in de besluitvormingsprocedure is een geval van boerenbedrog, dat de discussie om "Maastricht' alleen maar vertroebelt. Overigens, deze hele materie heeft met het verdrag van Maastricht niets maar dan ook niets uitstaande: in dat verdrag wordt de positie van de Europese Commissie nòch geregeld nòch gewijzigd, want die gaat terug op het oorspronkelijke verdrag van Rome uit 1957 ...

Die positie berust op het alleenrecht om initiatieven tot wetgeving te nemen; maar geen enkele wetgeving komt tot stand zonder een lange gang door de bureaucratische molens van de lidstaten, uiteindelijk gesanctioneerd door een gekwalificeerde meerderheid in de Raad van Ministers, in wisselwerking met het Europese Parlement. De Raad is de wetgever, niet de Commissie; de nationale ministers zijn aan hun eigen Parlement verantwoording verschuldigd voor de houding die zij bij de besluitvorming hebben aangenomen. Dat de nationale parlementen (behalve het Deense) zich in het algemeen voor de positie van hun eigen land ten opzichte van de grote stroom wetgeving die de laatste jaren uit Brussel is gekomen niet al te veel hebben geïnteresseerd, is betreurenswaardig maar niet aan de structuur van de Gemeenschap te wijten.

In dezelfde krant van 1 oktober gaf Folkert Jensma een levendige schets van de relaties tussen de nationale bureaucratieën, de ambtenarij van de Commissie, de Raad en het Parlement bij de besluitvorming in de EG en van de verwijten die zij elkaar maken. Een rationeler en doorzichtiger maken van dat proces is gewenst, maar kan alleen door een gezamenlijke inspanning: Brussel, dat zijn wij zèlf, al willen we dat soms niet weten wanneer de tijden wat minder gemakkelijk zijn.

Willen wij de afstand van de burger tot de politiek in het algemeen en tot de Europese politiek in het bijzonder echt verkleinen, dan moeten wij ons verheffen boven het zoeken van alibi's en het jagen op zondebokken.

    • E.P. Wellenstein