Moderne Nederlandse letterkunde opnieuw belicht

Grondleggers, Morgen, Radio 5, 14.02-15.00u.

“We zitten op de literaire Cruyff te wachten”, merkt Kees Fens wat lacherig op tegen het eind van het gesprek dat Henk Hofland en Tom Rooduijn met hem voeren over de moderne Nederlandse letterkunde. Hij mag het spits afbijten in de nieuwe VPRO-serie Grondleggers, die vanaf morgenmiddag twintig keer op de radio zal worden uitgezonden. In gesprekken van een uur laten verschillende schrijvers die allen van vóór 1930 zijn, hun licht schijnen over de Nederlandse letteren van pakweg 1945 tot nu. Met deze vorm van ”oral history' hopen de makers, zoals Hofland uitlegde in de VPRO-gids, “een achterliggend web van vriendschap, verwantschap, kritiek, vijandschap, beïnvloeding en bestrijding' zichtbaar te maken.

In de eerste drie afleveringen komen achtereenvolgens Fens, Theo Sontrop en Rudy Kousbroek aan bod. Daarna zullen onder anderen Hella Haasse, W.F. Hermans, Alfred Kossmann, Bert Schierbeek, Leo Vroman en Harry Mulisch geïnterviewd worden. Voorzover nu te beoordelen valt wordt het een serie die door haar ruimhartige opzet een groot publiek zal kunnen aanspreken. Want de makers zijn niet alleen uit op literair-historische feiten, maar ook op een meer algemeen tijdsbeeld en daarnaast op persoonlijke lotgevallen en ”petite histoire', ofwel sappige verhalen en literaire roddel. Erg geanimeerd en informatief is al meteen het gesprek met Fens, die overigens weinig hoopvol gestemd is over de ontwikkeling van de laatste jaren. Na Forum en Vijftig is er volgens hem weinig meer te beleven geweest in de Nederlandse letteren. In de poëzie constateert hij een bedenkelijke terugkeer naar anekdotiek en romantisch gerijmel. En in het proza, zo meent hij, zullen ”de grote drie' (Hermans, Reve en Mulisch) niet opgevolgd gaan worden. “Alles is op elkaar gaan lijken. We zijn het zo godsgruwelijk met elkaar eens”, verzucht Fens.

Een tekortkoming van Grondleggers zou wel eens het gehanteerde leeftijdscriterium kunnen zijn. Alle gespreksgenoten zijn 62 jaar of ouder. Dat brengt onvermijdelijk een zorgelijke ondertoon met zich mee en de misschien juiste, maar ook wat vermoeiende vaststelling dat vroeger alles beter was. Toen had je gezaghebbende critici die werkelijk invloed hadden, toen had je goeie schrijvers, echte polemieken en fijne schandalen en oprecht geïnteresseerde lezers die het niet om ”de façade-waarde' van boeken te doen was. Ook werd er ”vroeger' meer gedronken onder schrijvers, al laat Sontrop in het midden of dat nu een gunstige of een ongunstige ontwikkeling is. Hij laat zich nostalgisch uit over Geert van Oorschot, die weliswaar een boef was, maar ook een bevlogen uitgever. Tegenwoordig zwaaien koele managers en computers de scepter. Een prettig tegenwicht tegen al te veel nostalgie vormt het gesprek met Kousbroek in de derde uitzending. Volgens hem hebben de veelgeprezen Vijftigers ook de nodige schade aangericht omdat ze andere dan experimentele geluiden finaal overstemden. Over zijn eigen rol in de beweging merkt hij droogjes op: “Ik wist nauwelijks waar ik het over had”. In het algemeen karakteriseert hij zich als iemand die ”achter de feiten aanstrompelt', en die zich niet, zoals Hofland graag wil, ziet als een ”geboren essayist', maar als iemand die schrijft in opdracht. Heimwee heeft hij alleen naar zijn eigen jeugd en naar Parijs, dat hij drie jaar geleden verliet om zich opnieuw in Nederland te vestigen. Elke keer als hij tv-beelden van Parijs ziet, krimpt zijn hart. “En nu zit ik daar tussen die kinkels in Leiden”.

“Iets tussen wetenschap en onzin in. De wetenschap is filosofischer van aard dan ze op het eerste gezicht lijkt. Kan de wetenschappelijke onderzoeker wel objectief zijn, kan hij zekerheid bereiken? In die zin is wetenschap filosofie. Maar helemaal onzinnig is de filosofie niet. Het heeft iets van science fiction, maar dan letterlijk. Wetenschap en fictie tegelijk. Fantastische voorstellingen waarvan buitenstaanders denken dat het kant noch wal raakt. Maar het is leuk om iets te bedenken en je weet maar nooit of het klopt.”

    • Janet Luis