Het gillen van de slachtoffers stierf snel weg

AMSTERDAM, 5 OKT. “My wife, have you seen my wife?” Tevergeefs klampt Junius Holdford zijn buren aan die juist arriveren bij het opvangcentrum in de Nieuwe Kerk van de Ganzenhoef. Overal heeft hij gezocht, maar zijn vrouw en twee dochtertjes kan hij niet vinden.

Holdford, afkomstig van de Caraïbische eilanden, had gisteravond rond zes uur de deur van zijn woning in de flat Groeneveen achter zich dichtgetrokken. Bij vrienden in de tegenoverliggende flat Kikkenstein zag hij hoe het vliegtuig zich naar binnen boorde in het flatblok waar hij zijn familie had achtergelaten. Toen hij Groeneveen wilde binnenrennen, kon dat niet meer. De plek waar het trappenhuis stond, was veranderd in een brandende ruïne.

Het is inmiddels kwart over tien in de avond, op zijn brommer heeft Holdford de hele omgeving al uitgekamd. Nu staat hij als verdoofd voor het opvangcentrum, met in zijn hand twee pasfoto's van zijn dochtertjes. Zijn buurman Paul Stellaard probeert hem te troosten. Stellaard kon met zijn familie nog juist het vege lijf redden. “Mijn zoon moest mijn vrouw de trap af sleuren, ze had iets zwaars op haar been gekregen.” Van zijn woning op de negende etage is niets meer over.

Er staan brandweerlieden op een balkon van de bovenste verdieping, achter hen flakkeren de vlammen. Grote rookwolken slaan uit de flats. De vlammen lekken langs de muren op de tiende verdieping. Een uur nadat de Boeing van El Al een gat van zes, zeven flats breed heeft geslagen in het flatgebouw Groeneveen, zijn de eerste slachtoffers al afgevoerd en is het noodhospitaal aan de westzijde van de ravage nagenoeg gereed. De brandweer blust de restanten van het toestel in het parkje met waterpartij ten oosten van Groeneveen.

Over een breedte van zo'n zes woningen aan beide zijden van het geslagen gat is het gebouw zwart geblakerd. Uit deze woningen zijn de meeste gewonden afkomstig die bij de eerste-hulpverlening worden aangetroffen en geholpen. Het gillen van de overlevenden - in vele gevallen hebben zij zware brandwonden opgelopen -, in de woningen rondom het gat is voor de meeste ooggetuigen hun afschuwelijkste herinnering onmiddellijk na de schrik van de klap. “Maar het gillen nam snel af.”

“Ik zat thuis”, zegt een vrouw die in de flat Kikkenstein woont. “Opeens werd het oranje in de kamer. Toen klonk een knal. De ruiten trilden en de flat schudde. Daaarna keek ik uit het keukenraam en zag dat een stuk van Kruitberg helemaal zwart werd van de rook. Ik heb geen slachtoffers gezien. De meeste mensen hier op de flat wilden zo snel mogelijk weg. In het begin heb ik gezien hoe mensen volstrekt maf door de binnenstraten hebben gelopen. Helemaal gek en schreeuwend.”

Een jonge omwonende, Willem Prudentia, zegt onmiddellijk na de ramp met enkele vrienden in het gebouw nabij het getroffen gedeelte mensen te hebben bevrijd uit hun woningen. “Iedereen schreeuwde en huilde”, zegt hij. “Sommige mensen sprongen uit de ramen. Ondanks dat wij riepen dat we eraan kwamen.”

De Groesbeekdreef staat vol ambulancewagens. Vlak voor de getroffen flats bevinden zich honderden politiemensen, complete ME-pelotons, ambulancepersoneel, artsen, verpleegkundigen en brandweerlieden. “Ik had vandaag al een dienst gedraaid”, zegt hoofdagent J. Warda. “Ik ben van huis weggeroepen.” Maar tot zijn frustratie er is weinig voor hem te doen. De gewonden zijn afgevoerd en het bergen van slachtoffers is nog onmogelijk.

Tussen de flats van de K- en G-buurten liggen her en der vreemd gevormde onderdelen van het vliegtuig. Een fotograaf neemt een groot stuk aluminium mee. De bovenste takken van de boom branden. De stapel puin tussen de flats smeult nog. Er hangt een ondefinieerbare geur tussen de flats. Het vliegtuig was geladen met flessen parfum, zegt een agente.

De toegangswegen naar de Bijlmermeer zijn overvol. Sommige bestuurders verlaten de files en zetten hun auto ergens lukraak in de berm. Anderen rijden door tot de plaats waar ze door de politie worden tegengehouden. Achter de versperringen biedt het stadsdeel een onwerkelijke aanblik. De wegen zijn volledig verlaten en leeg alsof de bevolking massaal is geëvacueerd.

Mensen lijken doelbewust naar de ramp toe te lopen. “Allemaal terug”, roept een woedende agent tegen de menigte. De straten worden afgezet. Op de balkons staan mensen te kijken. De stemming wordt grimmiger wanneer ME'ers met getrokken wapenstok gehaast het pad af lopen.

Brandweerlieden die worden afgelost maken een zichtbaar aangeslagen indruk. De bluswerkzaamheden vorderen, maar van het redden van slachtoffers is geen sprake geweest. “Een slecht blussie”, zegt een brandweerman tegen een collega. Om kwart voor elf 's avonds zijn de belangrijkste brandhaarden gedoofd, maar van het dak van de flats is nog vuur zichtbaar. Op diverse plaatsen is het vuur blauw. “Brandende gasleidingen”, weet een brandweerman.

Een toegangspoortje - "Flying Dildo' staat er op de muur gekalkt - leidt naar het terrein aan de achterkant van Kruitberg. Daar is de omvang van de ramp pas goed duidelijk. De hoek van Kruitberg en Groeneveen is volledig verdwenen. De belendende flats zijn zwartgeblakerd en gedeeltelijk zwaar beschadigd. Hier en daar brandt nog licht, balkons en balustrades hangen in flarden langs de gevels. Brandweerlieden rennen door de galerijen die nog intact zijn, ze zijn op zoek naar overlevenden, ze vinden niets.

Een groepje luchtvaartdeskundigen in burger gaat het trappenhuis in. In de parterre staat een damesfiets met kinderzitje, op de derde verdieping ligt een sandaal. Mannen in regenjassen zijn op zoek naar de zwarte doos van het vliegtuig, die door agenten zou zijn aangetroffen.“Het gaat ons om blauwe stukken metaal met gaatjes erin”, zegt een van hen tegen een politieman. “Is dit niet een stuk van de zitting? Nee, het lijkt op een filter.” Er hangt een verstikkende rook, maar niemand lijkt zich daar iets van aan te trekken. De zwarte doos wordt niet gevonden.

Het terrein achter de flats is bezaaid met stukken van de achterkant van het vliegtuig en met delen van de lading die het vliegtuig vervoerde. Er liggen duizenden fittingen en flesjes parfum.

Brandweerlieden proberen de hoofdgasleiding te vinden, maar die blijkt niet aanwezig op de plaats waar deze zich volgens de bouwtekeningen zou moeten bevinden. Ze willen het gas afsluiten wegens het explosiegevaar.

Reddingswerkers lopen rond met schijnwerpers, op zoek naar sporen van slachtoffers, maar ook zij vinden niets. Het lijkt alsof een alles verwoestend bombardement elk spoor heeft uitgewist van de 239 mensen die hier woonden.

Twee artsen uit het VU-ziekenhuis kijken zwijgend toe. Op het moment van de ramp stonden ze in de operatiekamer, waar ze net klaar waren met een operatie.

Onmiddellijk waren ze uitgerukt. Algemeen chirurg N. Hustinx, gespecialiseerd in traumatologie, spreekt over “een indrukwekkende coördinatie” van de reddingsacties. Zelf heeft hij vier gewonden behandeld, maar verder heeft hij niet veel kunnen doen. Het geeft hem “een machteloos gevoel”.

L. Lavi, een kinderarts uit Israel die met vakantie is in Nederland, ging direct nadat ze van de ramp hoorde op eigen gelegenheid naar de getroffen flats. Ze behandelde er een vrouw die van drie hoog naar beneden was gesprongen maar ogenschijnlijk lichamelijk niets mankeerde. De vrouw bleek al twee uur lang in shock-toestand rond te dwalen. Lavi: “Ze riep voortdurend: ik heb zes kinderen, waar zijn mijn kinderen?”

De verhalen in het opvangcentrum de Nieuwe Kerk, vlakbij de getroffen flats Kruitberg en Groenewegen, zijn eensluidend. De meeste mensen zagen een felle lichtflits die de hele omgeving verlichtte, gevolgd dooor een donderende klap die de flatgebouwen op hun grondvesten deed trillen. Ramen vlogen uit hun sponningen, kasten vielen omver. De klap werd gevolgd door een enorme vuurzee. Een meisje vertelt over de broer van een vriendin die door de luchtdruk naar buiten werd geblazen. Veel mensen sprongen in paniek uit het flatgebouw.

De politie en verzamelde vrijwilligers van de Nieuwe Kerk, een oecumenisch samenwerkingsverband, zorgen voor de eerste opvang van de mensen die op de vlucht zijn geslagen voor de ramp. Zo'n vijftig ouders met kinderen nippen aan de koffie in afwachting van vervoer naar de nabij gelegen sporthal Bijlmer. “Hebben jullie je huis nog?”, is steevast de vraag als de bewoners elkaar ontmoeten.

Als de radionieuwsdienst van tien uur plunderingen in de winkelcentra Kraaiennest en Amsterdamse Poort meldt, gaat er een golf van verontwaardiging door de verzamelde toehoorders. “Kankerlijers”, vloekt een Turkse jongen. “Snap je dat ? Alles mag in Holland”, roept een Surinaamse vrouw verontwaardigd uit. Anderen reageren afstandelijker.

Later op de avond doet tevens het gerucht de ronde dat er plunderingen gaande zijn in de getroffen flats. Iedereen, ook mensen uit de omringende flatblokken, wordt geadviseerd naar de sporthal te vertrekken. Uit ergernis over het gedrag van de omstanders en extra geprikkeld door de mogelijkheid van pluderingen zitten de handen van de bewakende agenten erg los vanavond, zo wordt gezegd.

Terwijl het pandemonium van gillende sirenes en helikopters onophoudelijk voortduurt, zet een stoet evacués zich in beweging. Het groepje, dat vooral bestaat uit vrouwen en zachtjes huilende kinderen, wandelt door de penetrante, vettige walm van verbrand rubber en kerosine naar de bus van het gemeentevervoerbedrijf. Omgeslagen dekens bieden bescherming tegen de snijdend koude wind in de loopgangen.

Aangekomen bij de sporthal wordt de groep door een haag van agenten afgeschermd van de televisie- en fotocamera's. Binnen wemelt het van uniformen van tientallen hulpverleners: van het Leger des Heils tot en met het Rode Kruis, van de GG & GD tot de politie. Het aantal hulpverleners is ruim voldoende om de honderdvijfenzeventig geëvacueerden op te vangen. De sporthal blijkt ingericht met tientallen veldbedden, maar er wordt amper gebruik van gemaakt. Gewonden zijn er nauwelijks en aan rusten denkt niemand.

Het zoeken naar vermiste familieleden en vrienden wordt voortgezet. Namen worden geregistreerd per computer. Kinderen spelen, te opgewonden om de slaap te vatten. De aanwezige psychiaters en maatschappelijk werkers en predikanten maken een praatje met de mensen. Tolken vertalen gesprekken van Marokkaans tot Sranan tongo en Papiamento.