Een besje met trillende snorharen

Die ochtend stonden we vroeg op. Over de Zevenheuvelenweg blies een gure wind die tot op het bot ging. De waterige zon trok lange schaduwen. Het was een dagmars gaans naar bejaardenhuis De Valreep en al snel waren we na een korte instructie op weg, de ransels gevuld met een stevige mondvoorraad. Ik floot een deuntje voor me uit over lanen en paden en gloeide van tevredenheid. Een fietser kruiste lachend onze weg. Geluk werkt inderdaad aanstekelijk.

We zijn gelegerd aan de rand van Nijmegen in de H.J.A. Hofland-kazerne, vernoemd naar de schrijver die toch wel als de geestelijke vader van de sociale dienstplicht mag gelden. Zonder zijn precieze studies naar het gedrag van de hond in de hoofdstad als symbool van de chaos in het algemeen, zouden we nooit zo ver zijn gekomen. Heel zijn oeuvre staat in het teken van het oprukkende vuil en dat is precies waar ons werkterrein ligt.

Sinds februari was ik gedetacheerd bij de E.M.H. Hirsch Ballin-brigade, in de volksmond Ballin-brigade, en we hadden al veel werk verzet: besmette sloten gedempt, zwervers gezandstraald, massa's kapotte bierflessen verzameld, verdwaalde kinderen opgebracht, Aids-patiënten rondgereden, het is te veel om op te noemen. Eigenlijk overal waar de lange arm van de verzorgingsstaat tekortschiet, ziet men ons opduiken en zwijgend misstanden bestrijden.

In de rijzende morgenzon glommen de knopen van ons uniform. Het goudgestikte insigne EHB op onze petten stak als altijd fleurig af tegen de mosgroene sjerp en rode bies langs onze broekspijp. Een bont samenspel van goud, groen en rood danste voor mijn ogen over de heuvels. Van onze getrimde koppen straalde de levenslust: wat een voorrecht om je land te mogen dienen. De vlaggen van de brigade stonden bol in de wind, zodat iedereen het motto waaronder wij opereren kon zien: "Deugdzamen aller landen verenigt U'. Erg orgineel is het niet, dat moet ik toegeven, maar wel duidelijk.

We droegen allemaal een geplastificeerd kaartje bij ons met de "Stelregels der Indicipatie'. Deze lumineuze samenvoeging van individualisme en emancipatie was in de zomer van 1992 geïntroduceerd door de toenmalige minister van onderwijs Ritzen en het is geen wonder dat de School voor Sociale Krijgskunde in Ootmarsum trots zijn naam draagt. Hele generaties zullen daar nog opgeleid worden tot actieve indicipisten.

Het zou niet eerlijk zijn om te beweren dat we zonder scepsis aan de opleiding op de SSK waren begonnen. Vertroebeld als we waren door noties als "verlicht eigen belang' en "concurrentie' viel het ons niet gemakkelijk om de beginselen van de naastenliefde te beleven. Maar geleidelijk aan trok de muffe sluier van consumentisme op en werden de omtrekken van een door liefde beklonken samenleving zichtbaar. Dat was overigens de niet geringe verdienste van onze cursus leider Koos Vorrink jr. Heel behoedzaam weekte hij de sociale dienstplichtigen één voor één los uit hun ikgerichte bevangenheid. Een zwaar, maar o zo dankbaar werk!

Weinigen herinneren zich nog hoe zeven jaar geleden het idee voor een sociale dienstplicht door een christelijke voorman werd gelanceerd onder hoongelach in de Tweede Kamer. Maar het lachen der liberalen zou verstommen. Met bekwame spoed werden de huichelachtige tegenwerpingen ontzenuwd en al snel zag men de sociaal-democraten pleiten voor een verdubbeling van de voorgestelde zes maanden dienstplicht tot een heel jaar. Uiteindelijk werd het na heel lang touwtrekken negen maanden.

Zo liepen we daar rondom het middaguur op weg naar bejaardenoord De Valreep. Ik probeerde me een voorstelling te maken van wat ons te wachten stond. Heel veel verhalen deden de ronde over het opvangtehuis. Zo zou door tekorten een deel van de inwonenden maar eens in de twee dagen worden verschoond. Sommigen spraken besmuikt van ongewenste intimiteiten. Duidelijk was in ieder geval dat zelden of nooit de bejaarden gelucht werden. Dat zou onze taak worden, zo was ons tijdens de briefing voor het vertrek verteld.

Terwijl we langzaam de vierde heuvel overtrokken moest ik plotseling aan mijn ouders denken. Vaak las ik op de slaapzaal het mooie gedicht van Elsschot "Aan mijn moeder', dat eindigt met de wanhopige vraag: "Moeder, zijn wij vervreemd aan elkander?' Dat zou ons niet gebeuren, althans dat hoopte ik vurig. Ze woonden nu alweer drie jaar bij ons, in het kader van de "Wet fiscale aftrek drie-generatie huishoudens'. Na wat strubbelingen is het heel goed gegaan, zo goed zelfs dat we de werkster en de oppas hebben kunnen opzeggen.

Tijdens de leergang hadden we daar indringende gesprekken over gevoerd en langzaam viel het doek over dat belachelijke en vaak misbruikte woord: generatieconflict. We waren het er snel over eens dat de fiscale stimulans niet nodig was geweest, de verloedering van de bejaardenoorden was aanmoediging genoeg.

Op de top van de zevende heuvel zagen we tegen een vulgair avondrood het silhouet van De Valreep. Het was een vooroorlogs complex opgetrokken uit baksteen. Het hoofdgebouw was overwoekerd door klimhortensia, die in volle bloei stond. Over De Valreep hing een doodse stilte die ons deed huiveren. Wat zouden we daarbinnen achter die hoge deuren aantreffen? Hoeveel porseleinen levens zouden al aan scherven zijn? Met bange voorgevoels betraden we de vestibule.

Wat te verwachten viel gebeurde: ook na een indringend advies van onze kant weigerde het merendeel van de aanwezigen te worden gelucht. Hoe vaak hadden we dat al niet meegemaakt! De langdurige rechteloosheid was tot privilege geworden: nee, ze hoefden niet naar buiten, met geen stok waren al die oudjes in beweging te krijgen. Men wilde eenvoudigweg niet luisteren naar onze aanbevelingen. Laat ons maar lekker zitten voor de buis, met een plaid over onze stramme voeten, zei een besje met trillende snorharen.

Ook toen we onze Zwitserse legermessen trokken en losjes lieten bungelen waren ze allerminst onder de indruk. Spichtige kinnen werden uitdagend in onze richting gedraaid, bevende handen balden zich om een kruk, de spanning steeg met de minuut. Geen meter zouden ze wijken, als we dat maar wisten, geen meter. Niks geen frisse lucht, dat maakten ze zelf wel uit, de stumpers!

Met ontblote krukketrekkers vielen we aan. Overal gegil, een ontzaglijke wirwar van rolstoelen, geheven wandelstokken, daar werd een kom hete jus gelanceerd, een stereo-meubel bezweek: de eerste aanval was afgeslagen. We hergroepeerden ons en met getrokken nagelvijl vielen we opnieuw aan. Grommend stortten we ons op de eerste rij bejaarden, er vloeide bloed, en zie: de eersten begaven het en vluchtten naar buiten en een kwartier later bevonden alle inwoners van De Valreep zich klappertandend op het gazon.

Niemand heeft ooit beweerd dat het gemakkelijk is om mensen bewust te maken van het geluk dat hun toekomt. Naastenliefde vereist nu eenmaal de strenge, maar ook rechtvaardige hand van sociale dienstplichtigen. In deze morele krachtmeting vallen slachtoffers, dat is onvermijdelijk. Bij dienstplicht hoort nu eenmaal oorlog.