Dienstplicht verstart de arbeidsmarkt

De commissie-Meyer heeft de minister van defensie geadviseerd de dienstplicht terug te brengen tot negen maanden. In haar overwegingen voor handhaving van de dienstplicht heeft de arbeidsmarkt een belangrijke rol gespeeld. Indien de dienstplicht wordt afgeschaft zou het, aldus de commissie, wel eens erg moeilijk kunnen zijn om aan voldoende arbeidskrachten in de krijgsmacht te komen. Het is te hopen dat de minister van defensie en het kabinet, in hun beslissing over het al of niet laten voortbestaan van de dienstplicht, dit aspect nogmaals bekijken en ook rekening houden met de keerzijde ervan: de verspilling die een gedwongen periode buiten de reguliere arbeidsmarkt voor de betrokken jongens, en daarmee voor de maatschappij, inhoudt.

Uitgaande van de ramingen van het ministerie van defensie zou de krijgsmacht in het jaar 2000 jaarlijks ongeveer 13.500 vrijwilligers moeten werven indien er geen dienstplicht was. Hierbij is verondersteld dat een militair in de nieuwe situatie de plaats inneemt van een dienstplichtige. Daarbij is de koninklijke landmacht tevens uitgegaan van een vermindering in de personeelsbehoefte van twintig procent.

Een groot deel van de personeelsleden in 2000 zou voor twee jaar tekenen, en een klein deel daarvan zou vervolgens langer in dienst willen blijven. De grote vraag is nu of verwacht mag worden dat deze 13.500 jongeren te vinden zijn, en tegen welke condities.

Een jaarlijkse wervingsbehoefte van 13.500 mensen is erg veel. Het is bij voorbeeld tien keer zoveel als de politie er jaarlijks nodig heeft, en anderhalf keer zoveel als er jaarlijks in de bouwnijverheid binnenstromen. Toch krijgt men uit het onderzoeksrapport niet bepaald de indruk dat het per se onmogelijk is aan deze wervingsbehoefte te voldoen. Het stelt alleen geheel nieuwe eisen aan het defensie-apparaat, waar men op korte termijn maar met grote moeite op zou kunnen inspelen.

Zo blijkt dat de krijgsmacht eigenlijk nauwelijks weet welk soort mensen men op de arbeidsmarkt zou moeten zoeken. Veel functies zijn omschreven in opleidingscategorieën die in de praktijk niet meer bestaan. Men is gewend aan een luxe situatie waarin hooggeschoolden betrekkelijk laaggeschoold werk doen, en waar er zo'n groot aanbod is dat een hoog afkeuringspercentage geen probleem is. Er bestaat geen professioneel personeelsbeleid voor de hele krijgsmacht. Bij nader inzien blijken marine en luchtmacht overigens weinig fundamentele problemen te hebben. Het gaat vooral om de landmacht.

De onderzoekers hebben een grote groep jongeren "pakketten' voorgelegd met een concreet inkomensaanbod en de vraag gesteld of men daarvoor bij de krijgsmacht zou willen werken. De animo bleek in eerste instantie niet zo groot. Pas bij een pakket waarin het looninkomen fors werd verhoogd, zou er een aanbod komen dat in de buurt kwam van wat de krijgsmacht dacht nodig te hebben. Ook dan zou het niet voldoende zijn alleen een bepaald aandeel van de jaarlijkse schoolverlaters naar het leger te lokken, maar is het ook nodig het zo in te richten dat een deel van de jongeren die jaarlijks van baan veranderen voor de krijgsmacht kiest. Het salarisaanbod zou echter niet voor alle jongeren erg veel hoger hoeven te zijn dan wat kort-verband-vrijwilligers nu verdienen. Voor de jongsten (tot 21 jaar) was het probleem betrekkelijk goed te overzien, voor de wat ouderen zou inkomensverbetering duidelijk nodig zijn om een adequaat aanbod te krijgen. Opmerkelijk genoeg zit het knelpunt ook meer bij de laag opgeleiden dan bij de wat hoger opgeleiden.

Dit is uiteraard temeer een probleem omdat een betrekkelijk groot deel van de laag opgeleide jongeren in Nederland uit etnische minderheden bestaat, die niet zonder meer tot de Nederlandse krijgsmacht worden toegelaten. Het is echter nogal curieus dat de overheid enerzijds duizenden extra banen voor werkloze jongeren bedenkt in het kader van het jeugdwerkgarantieplan, terwijl anderzijds wordt geaccepteerd dat de krijgsmacht niet aan mensen in precies dezelfde leeftijdscategorie kan komen. Men zou toch veronderstellen dat hier nog mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor de krijgsmacht liggen.

Nu is aan dit mogelijke wervingsknelpunt van alles te doen. De krijgsmacht kan jongeren met een tijdelijk dienstverband, een goede technische opleiding geven. Jongeren uit etnische minderheidsgroeperingen kan een versnelde toekenning van het Nederlanderschap plus onderwijs worden aangeboden. Opleidingseisen kunnen worden versoepeld. Er kan gericht op bepaalde functies worden geworven. De krijgsmacht kan een professionele personeels- en wervingsorganisatie opzetten, met als doel een wat groter deel van degenen die aanvankelijk voor twee jaar tekenen langer in dienst te houden. Daarnaast is niet uitgesloten dat de personeelsomvang in het jaar 2000 wat geringer is dan nu in de beleidsnota's wordt voorzien.

Er is echter een principieel belangrijker punt. De krijgsmacht is niet de enige bedrijfstak die, nu of in het jaar 2000, met personeelsschaarste te kampen kan krijgen. In vrijwel alle bedrijfstakken is er in meer of mindere mate van vacatureproblemen sprake, en verwacht mag worden dat naarmate de "ontgroening' en "vergrijzing' van de beroepsbevolking doorzet de strijd om de jongere op de arbeidsmarkt steeds heftiger zal worden. Vele bedrijfstakken vissen dan in dezelfde poel. Het is de vraag of het in deze tijd nog gerechtvaardigd is om één bedrijfstak dan een zekere "voorkeurspositie' te geven met als argument dat men anders een personeelsprobleem voorziet. De politie, bij voorbeeld, had enkele jaren geleden ook een groot personeelstekort en heeft dit door goede wervingsmethoden, gekoppeld aan opleidingen, opgelost. In de gezondheidszorg is het van hetzelfde laken een pak. Het is niet duidelijk waarom deze bedrijfstakken, waar toch ook maatschappelijk hoogst nuttig werk wordt verricht, wel geacht worden zelf hun problemen op te lossen terwijl dit van de krijgsmacht kennelijk teveel is gevraagd.

Terecht stelt de minister van sociale zaken in zijn Sociale Nota dat een verbetering van de marktwerking een speerpunt is in het kabinetsbeleid ten aanzien van de arbeidsmarkt. De Nederlandse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door relatief veel starre elementen, en dat komt de werkgelegenheid niet ten goede. Een dienstplicht nu is wel een verstarrend element bij uitstek. Jongeren die zouden kunnen studeren of werken op een arbeidsmarktplaats die zijzelf verkiezen, worden gedwongen in een bedrijfstak te werken waar ze anders wellicht geen ambitie in zouden hebben, alleen omdat deze bedrijfstak bang is anders niet aan personeel te komen. Dit vergroot de vacatureproblemen bij andere bedrijfstakken en belemmert een soepel functioneren van de arbeidsmarkt. Het levert maatschappelijk en individueel welvaartsverlies op.

Het is de commissie-Meyer niet kwalijk te nemen dat zij adviseerde de dienstplicht niet af te schaffen. Als het wel gebeurt zal de krijgsmacht en in het bijzonder de landmacht zeer aanzienlijk veranderen, en staat men voor een hele lastige overgangsperiode. Men zal een professioneel personeelsbeleid moeten opzetten, en waarschijnlijk zullen er moeilijk vervulbare vacatures ontstaan.

    • P.A. Boot
    • Verbonden Aanvan de Departementen in den Haag