De strijd tegen discriminatie op basis van soortverschil; Voor de waardigheid der dieren

Gisteren, op Dierendag, bracht de Australische filosoof/ethicus Peter Singer een bliksembezoek aan ons land. Voor de gelegenheid te gast bij de Nederlandse Vegetariërs Bond, sprak Singer in het Amsterdamse Holiday Inn over de dierenbevrijdingsethiek waarvan hij met recht de ”founding father' kan worden genoemd. Professor Peter Singer, tevens directeur van het Centrum voor Bioethiek van Monash University in Melbourne, schreef zijn boek Animal Liberation (in de Nederlandse vertaling Pro Mens, Pro Dier geheten) al in 1975.

De basis voor Singers betoog vormt de constatering dat alle wezens met belangen er recht op hebben dat die belangen gelijkelijk worden meegewogen. Belangen mogen niet worden veronachtzaamd onder verwijzing naar biologische kenmerken van de belanghebbende zoals huidskleur, etnische groep of sekse. Iemands pijn of lijden is niet minder belangrijk omdat hij of zij een andere huidskleur heeft of tot de andere sekse behoort. Zodra echter een andere biologische categorie dan ras of sekse in het geding is, te weten, soort, wordt de tot dan toe gevolgde redenering veelal abrupt afgebroken.

Het niet-behoren tot de menselijke soort, met andere woorden, geen mens maar dier zijn, wordt wel degelijk als vrijbrief gezien om belangen te veronachtzamen. Het hele proefdierwezen is op deze premisse gebaseerd: dieren worden gebruikt als testmodel ten behoeve van menselijke belangen omdat zij weliswaar op mensen lijken, maar geen mensen zijn.

In verband met dit alles is het begrip speciesisme ontstaan, naar analogie van racisme en seksisme: discriminatie op basis van soortverschil.

Singer laat zien dat het ethische principe ”alle mensen zijn gelijk' niet verwijst naar een feitelijke gelijkheid van mensen onderling. Sommige mensen zijn sterker, anderen zijn intelligenter, kleine baby's hebben nog niet veel zelfbewustzijn en zwaar geestelijk gehandicapten komen misschien nooit tot een bewustzijn dat vergelijkbaar is met dat van de volwassen chimpansee. Doorslaggevend voor de intermenselijke ethiek is echter niet hoe goed mensen kunnen denken, maar of zij kunnen lijden en vreugde kunnen beleven.

Singer vraagt zich af waarom we bij de soortgrens ophouden en daar opeens morele oogkleppen gaan opzetten. Uiteraard zijn er tijden geweest - hier en daar zijn ze nog niet voorbij - waarin die morele oogkleppen ook golden ten aanzien van andere mensen. In vorige eeuwen werden de zwarten van Afrika niet gerekend tot de morele gemeenschap en gedegradeerd tot exploiteerbare slaven. Hun economische nut voor de Europeaan was het enige dat gold.

In de Westerse voedselindustrie worden miljarden dieren vóór hun slacht op dieronwaardige wijze gehouden. De meerderheid van de dieren ziet nooit de zon, voelt geen aarde of buitenlucht, leeft op betonvloeren of permanent aan kettingen gebonden. Zij kunnen zich niet omdraaien, of hun vleugels uitslaan, noch hun vacht of veren verzorgen. Ze komen om van verveling, kunnen niet met elkaar omgaan of spelen. Jonge dieren als kalveren worden veel te vroeg van hun moeder gescheiden en bewust in bloedarmoede opgefokt opdat hun vlees mooi wit blijft.

Juist in het Westen is er veel keus waar het om plantaardig voedselaanbod gaat. Singer haalt tevens het ecologische argument aan dat onze produktiedieren graan eten dat direct aan mensen ten goede had kunnen komen. De econome Susan George heeft inderdaad becijferd dat Westerse produktiedieren dezelfde hoeveelheid graan eten als de bevolkingen van China en India bij elkaar. Bovendien blijken dieren zeer inefficiënte omzetters van planteproteïne in dierlijke proteïne te zijn.

In de tweede druk van zijn boek, waarvan de Nederlandse vertaling op stapel staat, somt Singer een aantal verworvenheden op, dingen die inmiddels voor dieren verbeterd zijn. Zo is Zweden hard op weg zijn bioindustrie af te schaffen, mede onder invloed van de campagnes van schrijfster Astrid Lindgren, en heeft Zwitserland net besloten legbatterijen te verbieden. Op Europees niveau zijn er lobby's gaande om dierproeven ten behoeve van cosmetica af te schaffen. Daarentegen baren de ontwikkelingen op het gebied van genetische manipulatie van dieren grote zorgen.

Gevraagd naar zijn standpunt ten aanzien van de actiemethoden van de Dierenbevrijdingsbeweging - een beweging die zich grotendeels op zijn ideeën baseert - verklaart Singer nadrukkelijk dat hij tegen elke vorm van actie is waarbij geweld tegen mens òf dier wordt toegepast. Hij is echter niet tegen burgerlijke ongehoorzaamheid zoals het inbreken in laboratoria om bewijsmateriaal over dierproeven te verzamelen. Zo hebben actiegroepen zich toegang verschaft tot een medisch laboratorium in Philadelphia, waar bavianen hoofdverwondingen werden toegebracht ter simulatie van auto-ongelukken. Zogenaamd gebeurde dat onder verdoving. Met behulp van videobeelden, heimelijk opgenomen in dit laboratorium, konden de actievoerders aantonen dat dit absoluut niet het geval was, waarop de overheid de toegezegde subsidie introk.

Pas sinds kort wordt dierethiek als vak serieus genomen, hoeven vegetariërs niet àltijd meer in het defensief en duidt de beschikbaarheid van ”cruelty-free' cosmetica op een bewustzijnsverandering bij het winkelende publiek. Desondanks denkt Singer dat het overwinnen van het speciesisme de hele komende eeuw in beslag zal nemen.

“De dierenbeweging is nog jong, maar telt toch duizenden mensen over de hele wereld. Alle beetjes helpen, zowel theorieontwikkeling als praktische strategiebepaling. Toch, als je kijkt naar de beweging tegen racisme die zoveel ouder is, besef je wat een lange weg we nog te gaan hebben. De strijd voor dierenbelangen reikt verder en haalt nog veel meer overhoop in termen van economische belangen.”

    • Barbara Noske