Broodje aap

Vannacht schrok ik wakker uit een angstdroom. Ik had al dagen met een pukkel op mijn voorhoofd rondgelopen en in mijn droom was die uitgegroeid tot een vette, rode knobbel waarin het bonsde en klopte.

Was ik niet ooit eens in Afrika geweest? Was ik daar niet door een insekt gestoken op de plek waar nu die bult aan het groeien was? Met een veiligheidsspeld peuterde ik het zaakje open. Uit een flinke toef advocaat met slagroom maakte zich een leger gevleugelde termieten los, dat weldra bezit van mijn naakte lichaam nam. Wakker. Droom uit. Die was duidelijk geïnspireerd door de sfeer van de bundel "Broodje Aap Met' van Ethel Portnoy, waarin ik voor het slapengaan had liggen smullen. Een gelukkig vervolg op haar "Broodje Aap' waarin ze al een serie moderne griezelmythen samenstelde die echt "Echt Waar' gebeurd zijn.

Mijn moeder kende het begrip broodje aap niet, maar ze kon ze wel mooi vertellen, de echt-waar-verhalen uit haar jeugd. Regen, weer en wind tegen de ramen. We zaten als kinderen bij de kachel. Het eten was net op. Je hoefde nog niet meteen naar bed. Een stukje niemandsland vol geluk. Ze was een boerendochter. Geboren op het Groningerland in een tijd toen het daar nog heel normaal was dat een oud, eenzaam, voorovergebogen vrouwtje met een kromme neus niet in de buurt van een drachtige koe mocht komen. Gebeurde dat wel, dan kon je er zeker van zijn dat er in plaats van een kalf een harige, doorzichtige blibberzak vol dode ratten gevuld met krioelende maden naar buiten kwam. Echt waar. Haar grootvader had het met eigen ogen gezien.

Ze hadden een meid, die kreeg in het geheim een kindje. Dat lag in een kast met zakken en vodden er overheen, zodat niemand het zou horen. Ze sliepen samen op een zolder boven de varkens. De meid de hele dag werken. Tegen de avond geeft ze de varkens eten. Wat denk je? In de mest, tussen het stro, ziet ze een babyhandje en als ze goed kijkt verderop een voetje. De varkens knorren behaaglijk. Veel honger schijnen ze niet te hebben. In de zolder is een plank verschoven. Daar gaapt een gat waar met gemak een kruipende baby doorheen kan vallen. Niemand op de boerderij begrijpt waarom ze huilend en buiten zinnen in de richting van de Reitdiepdijk rent (roepende: de varkens hebben mijn kind opgegeten). Er achter aan. Te laat. Terwijl de zon purperrood ondergaat, verdwijnt ook zij voor altijd in het water. Nooit teruggevonden. Boven de varkensstal babygehuil. Naast het gat in de zoldervloer ligt een kerngezond kindje.

Als in de zomer de zon boven het Reitdiep purperrood onderging zat moeder met haar zusjes Aaltje, Trui, Tiet, Dirkje en Annie op de dijk. Soms zagen ze haar alle zes tegelijk. Haar gezicht in het water weerspiegeld. Haar ogen nat van tranen, maar ze glimlachte omdat die meisjes daarboven op de dijk haar kindje in de gaten hielden, zodat het niet in een onbewaakt ogenblik ook in het water zou terechtkomen. De moeder achterna.

“Trouwens dat van die tranen, dat kan aan de golven hebben gelegen.”

Als kind gaat moeder in de winter uit logeren bij een tante waar ze nog nooit geweest is. Alleen in een autobus die door bergen sneeuw ploegt. Het wordt al donker als er een groter meisje onderweg instapt. Ze komt naast haar zitten. Haar tante kent ze goed. Ze zal haar veilig door de sneeuw naar haar toebrengen. Ze zou immers gemakkelijk kunnen verdwalen. Bij de deur van tantes woning krijgt ze van het vrijgevige meisje als aandenken een zilveren speldje met een glittersteentje. Daar komt tante al. Het meisje is spoorloos. Gauw naar binnen. In de kamer hangt in een rouwlijst een grote foto. Dat is ze, roept het verbaasde logeetje. Het meisje dat me hierheen bracht. Kijk, dit kreeg ik van haar en ze laat het speldje zien. Niet te geloven: hetzelfde dat het meisje op de foto draagt. Ook bijzonder toevallig dat het arme kind, op de kop af, en precies vandaag tien jaar geleden, na een bustocht in een barre sneeuwstorm is verdwaald en nooit is teruggevonden. Van wie nooit meer iets is vernomen. Tot op de dag van vandaag natuurlijk. Ja, ja, natuurlijk. Tot op de dag van vandaag.

    • Jean-Paul Franssens