Boeiende momenten in overigens onduidelijk ballet Diachrome

Gezelschap: Scapino Ballet Rotterdam. Première: Diachrome. Choreografie en kostuums: Paula Vink; muziek: Einstürzende Neubauten en Henry Purcell; decor: John Otto; licht: Bert Dalhuijsen. Gezien: 2/10 Stadsschouwburg, Haarlem. Verder te zien in het programma waarmee tot 31/10 door het land gereisd wordt. Informatie: 020-6153916.

Diachrome noemt Paula Vink haar nieuwe ballet dat ze voor het Scapino Ballet Rotterdam, het gezelschap waaraan zij al zeven jaar als danseres verbonden is, maakte. Het woord staat voor een reeks weerkerende beelden in kleur die zijn opgebouwd uit verschillende lagen. De choreografie heeft twee duidelijk van elkaar afwijkende elementen. Ten eerste door de gebruikte muziek - Fantasias for Viols van Henry Purcell en Strategies against architecture II van Einstürzende Neubauten. Ten tweede door het bewegingsmateriaal en de kostumering van solisten tegenover een groep van vijf mannen en twee vrouwen, hoewel enkele daarvan soms een zelfde kostuum of delen daarvan als de solist dragen.

Die centrale figuur, voortreffelijk vertolkt door Mariëtte Redel, presenteert zich als een vorstin, een statige, onaantastbare figuur met brede, dikke rollen op haar heupen en een sluik neervallende, doorzichtige rok die een eigentijdse versie is van het zestiende-eeuwse hofkostuum. Zij wordt telkens als een standbeeld ten tonele gevoerd op een rollend platformpje en staat dan tussen twee grote, in de ruimte en uit het lood hangende lijsten. Een fraai, strak, in wisselende kleuren belicht toneelbeeld ontworpen door John Otto. Het suggereert een open gevangenis waaruit toch niet te ontsnappen valt. De groep is gekleed in strak zittende pakken die aan glanzende vissehuiden doen denken.

De bewegingen van die groep, waarvoor drammende punkmuziek gebruikt wordt, zijn robotachtig, scherp en kort afgebroken en vaak agressief getint. Ieder volgt zijn eigen frase, contacten zijn wisselend en willekeurig. De invloeden van Scapino's huischoreograaf en waarnemend artistiek leider Ed Wubbe is in deze onderdelen evident aanwezig. Veel persoonlijker en inventiever is wat Paula Vink voor Mariëtte Redel maakte. De naar de grond gerichte bewegingen hebben iets hulpeloos, evenals de wijde armgebaren die vaak plotseling in kleine poses verstillen of de abrupt wisselende blikrichting die onzekerheid en onmacht suggereert. Tegelijkertijd ademen die passages ondanks de vaak bizarre vormgeving een gestileerde grandeur die wonderwel aansluit bij Purcells muziek.

Wat de choreografe voor ogen heeft gestaan, wat ze heeft willen zeggen, wordt juist door de groepsdelen niet duidelijk en dat maakt dat het werk een onbevredigend gevoel achterlaat. Toch zitten er boeiende fragmenten in en die solistenrol heeft elementen in zich die duiden op een nieuwe ontwikkeling van Vinks scheppend talent.