ZUID-HOLLAND

Landschappen in Zuid-Holland door H. Oerlemans 207 blz., geïll., Provicie Zuid-Holland en Sdu 1992, f 29,50 ISBN 90 399 0187 2

Zuid-Holland is niet alleen de dichtstbevolkte maar ook een landschappelijk zonderlinge provincie. Weinigen staan er bij stil dat op veel plaatsen het oorspronkelijk niveau van het land meters hoger lag dan het huidige. Hiervoor zijn plaatselijk zeer verschillende factoren verantwoordelijk. In het duingebied werden sedert de late middeleeuwen duizenden hectaren zand afgegraven, om steeds verschillende redenen. Werd het materiaal aanvankelijk vooral gebruikt ten behoeve van de ophoging van stedelijke gebieden, sedert de late 19de eeuw vormde het duinzand ook grondstof voor de fabricage van kalkzandsteen. Dat het vrijkomende, op ongeveer 50 cm +NAP gelegen oppervlak zeer geschikt bleek voor de kweek van bloembollen was een prettige bijkomstigheid van deze roofbouw op de natuur.

De auteur van dit werk over het huidige landschap van Zuid-Holland stelt zich ten doel het verleden in het heden zichtbaar te maken. Vooral voor wandelaars en fietsers, nieuwsgierig geworden naar de ontstaansgeschiedenis van het decor van hun tochten, bevat Oerlemans' boek veel informatie. Zo laat het oorspronkelijk niveau van het duinlandschap zich in de Bollenstreek nog enigszins herkennen in de oude (spoor)wegen, die er op dijken lijken te liggen. De zandbodem werd ter weerszijden afgegraven, maar aangenomen mag worden dat de wegen niet over de duintoppen werden geleid, zodat het land oorspronkelijk nog ruim hoger gelegen moet hebben.

Achtergrond van de verlaging is dat in de uitgestrekte veengebieden van Midden-Holland de oorspronkelijke dikke pakketten van het zogenaamde veenmosveen, als gevolg van de ontginning sinds de middeleeuwen, veel volume door ontwatering (klink) en oxydatie hebben verloren. Sedert het midden van de 16de eeuw, toen er op enorme schaal veen werd gebaggerd ten behoeve van de turffabricage, verdwenen grote oppervlakken onder water om pas na droogmaking van de ontstane plassen opnieuw bruikbaar te worden. Maar ook hier geldt: vele van de huidige boezemwateren, vaak enkele meters boven het landoppervlak verheven, lagen voorheen als riviertjes op de laagste punten in het landschap. In het gebied van de Zuidhollandse droogmakerijen, zoals de Zuidplaspolder, komen tegenwoordig vooral zogenaamde modern-rationele verkavelingen voor, die bij wijze van spreken op de tekentafel tot stand zijn gekomen. Van de oorspronkelijke inrichting is gewoonlijk niets meer over en hoogstens zijn enkele oude dorpen op zogenaamd bovenland achter gebleven. De enorme veengebieden daarentegen worden gekenmerkt door strookverkavelingen, waarvan er vele in de middeleeuwen door kolonisatie volgens het systeem van ”copen' vorm kregen. Bij de copenverkaveling behoort een sterk lineaire nederzettingsstructuur: de ontginners startten alle vanuit dezelfde ontginningsbasis (een riviertje, een weg of een wetering) en werkten steeds verder van de huisplaatsen. Op den duur leidde dit ertoe dat parallel aan het oudste dorp een eveneens langgerekte dochternederzetting ontstond, die op haar beurt weer ontginningsbasis werd. In de Vijfheerenlanden, maar ook elders, kan men zich van dergelijke ontwikkelingen nog een fraai beeld vormen.

Veel minder duidelijk, zo blijkt uit dit boek, is de landschapsstructuur van Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. De huidige grote eilanden ontstonden door de successievelijke bedijking van op- en aanwassen in het zilte getijdengebied rond de mondingen van onze grote rivieren. Dit bracht mee dat relatief kleine polders ook thans nog als een mozaëk het kaartbeeld bepalen.

Om aanslibbing te bevorderen werden op Voorne-Putten in de voormalige getijdegeulen dammen geplaatst; zowel op de kaart als in het veld is het resultaat van de verlanding nog uitstekend waarneembaar. Om hun landbouwgronden tegen stuifzanden te beschermen wierpen de middeleeuwse bewoners van het toenmalige eiland Goeree walletjes of schurvelingen op, met ter weerszijden greppels. Teneinde het vee van de wallen af te houden, werden de greppels beplant met elzen en wilgen, terwijl bovenop meidoorn en braam werd geplaatst. Wie er oog voor heeft, zal ook van deze ”artefacten' nog wel iets terugvinden dat bij de recente herinrichtingen (nog) niet op de schop is genomen.