"Wanneer je vanuit je hart speelt heb je er meer plezier van'; "Ik zal nooit een tegenstander neerleggen'; "Roemenen houden van mensen, van gezelligheid'

In het hart van PSV speelt GHEORGHE POPESCU. De populairste voetballer van Roemenië, 24 jaar met een bewogen verleden. De libero met magistrale eigenschappen. Gica wordt hij genoemd. Zijn zucht naar een vrijheid in het veld, maar ook daarbuiten. Die instelling, zegt hij, heeft te maken met zijn Latijnse inslag.

Zo zullen ze in Nederland nooit gemaakt worden, voetballers als hij. Zoveel stijl, zoveel beheersing, zo'n sierlijke tred, zo'n koptechniek, zo'n traptechniek, zo'n sprongkracht, zoveel inzicht en zoveel fraaie doelpunten. Zoals de rijzige Roemeen alleen al een bal op zijn borst smoort. Zo zullen er nooit Nederlandse voetballers zijn. Is er een mooiere koosnaam dan Gica?

Zo trots als hij voetbalt, zo verlegen lacht hij als hij wordt geconfronteerd met deze mogelijke overdaad aan complimenten. Waarschijnlijk lacht hij altijd, domweg omdat hij een vrolijk gezicht heeft. Zijn Nederlandse woorden vormen nog geen volzinnen. Hij heeft sinds anderhalf jaar zestien uur Nederlandse les achter de rug. Nog dertig uur, belooft hij, dan spreekt hij net zo goed Nederlands als ik. Hij spreekt beter Italiaans, stelt hij voor. “Komt dat beter uit?” Waarom niet? Hij zegt het vier jaar geleden geleerd te hebben voordat hij met het Roemeense nationale voetbalelftal naar het wereldkampioenschap in Italië ging. Het zou hem van pas kunnen komen in de (mogelijk Italiaanse) toekomst. Het was niet moeilijk voor hem, relativeert hij, Roemeens heeft veel gemeen met Italiaans. “Roemenen zijn toch latino's”, benadrukt hij.

Popescu is trots op zijn Latijnse inslag. Hij zal er dan ook voortdurend naar verwijzen. Wanneer hij over Romario praat, met wie hij wel eens op stap gaat, wordt hij even lyrisch. “Ik begrijp hem. Hij is Latijns, hij voetbalt zoals hij dat lekker vindt. Anderen moeten niet zeuren. Konden zij maar zoals hij voetballen.”

Hij verwijst naar de Latijnse inslag als zijn eigen stijl van voetballen ter sprake komt - de Roemeense stijl. Waar Roemenen toch hun balbeheersing aan te danken hebben? Vroeger waren het Dumitrache en Böolni, later Hagi, Lacatus, Camataru en hijzelf, "Gica' Popescu (sinds 1989 door trainers, clubpresidenten en journalisten gekozen tot populairste voetballer van Roemenië), die hun technische gaven tonen.

“Latino's”, alleen hoe hij dat woord vol trots uitspreekt, “hebben meer fantasie. Ze voetballen met fantasie. Ze spelen met hun hart, misschien te weinig met hun hersens, maar wanneer je vanuit je hart speelt heb je er meer plezier van. Je ziet het in Roemenië al bij de kleine jongens op straat. Die spelen met een bal, die laten kunstjes aan elkaar zien. Die gunnen elkaar iets moois met de bal te doen. Hier in Nederland zie je jongetjes anders voetballen. Die spelen al hard en gemeen. Die halen elkaar onderuit.” Met zijn hand maakt hij een bewging alsof hij met een zeis maait.

Vrijheid willen Roemenen wanneer zij voetballen, vrijheid van handelen wil Popescu op het veld. Daarom hebben Roemeense voetballers het moeilijk wanneer zij in het buitenland spelen. “Topwedstrijden tussen Steaua en Dinamo Boekarest waren hard, maar vooral technisch hoogstaand. Nu moeten diezelfde spelers zich aanpassen, wennen aan de harde manier van spelen, spelen om het resultaat. Veel Roemenen vallen daarom terug in niveau. Hagi is het beste voorbeeld. Zoals hij kan voetballen, zoals hij kan trappen. Fantastisch. Maar bij Real Madrid moest hij zich ondergeschikt maken aan het elftal. Ik ken het gevoel, ik weet hoe dat gaat, ik heb ook mijn problemen gehad bij PSV.”

Zijn gezicht vertoont afschuw als hij vertelt dat hij bij PSV zelfs af en toe in de mandekking moest - of moet - spelen. Dat kende hij niet. Of op het middenveld, met een opdracht. Dan weer in de verdediging, die hij moest organiseren maar niet kon organiseren. Hij was het niet gewend. Hij wilde libero spelen, als vrije man opkomen wanneer hem dat het geschikte moment leek. Zoals hij dat bij Universitatea Craiova, Steaua Boekarest en in het Roemeense elftal deed. Hij geeft toe dat er aanvankelijk een taalprobleem was. Maar van schreeuwen, van verbaal geweld, houdt hij sowieso niet. Dat sommigen het zijn grootste dan wel enige gebrek noemen, laat hem ogenschijnlijk onverschillig. Is het karakteristiek voor Popescu dat hij zijn verantwoordelijkheid ontloopt, niet de leider wil zijn die men in hem ziet? “Ze zeggen dat ik meer moet coachen. Ik probeer het, maar het is niet mijn aard. Goed samenspelen is een kwestie van op elkaar ingespeeld zijn. Daar draait het om.”

“Ik probeer het voetballend op te lossen.” Een cliché dat hij in perfect Nederlands uitspreekt. “Lekker voetballen, dat heb ik altijd gewild. En dat zal ik altijd blijven doen. Per favore, vergelijk me met niemand”, verzoekt hij, alsof hij weet dat ik zoek naar evenbeelden. Beckenbauer? Nee, anders. Popescu helpt meedenken. Baresi, de avontuurlijke geest in de achterhoede van Milan, is altijd zijn voorbeeld geweest. Ik kan het me enigszins voorstellen, gezien de aanvalslust die beide libero's ten toon spreiden. Maar zo onbedaarlijk hard als Baresi is Popescu toch zeker niet?

Dat blijkt te kloppen. “Ik zal nooit een tegenstander neerleggen. Ik ben maar een keer geschorst. Toen ik tegen Mechelen een rode kaart kreeg omdat ik een doorgebroken speler neerlegde. Maar verder kan ik me beheersen. Ik ben er trots op dat ik het zonder overtredingen kan oplossen. Want dat is moeilijker dan met je lichaam een tegenstander de bal afpakken.”

Hij herinnert zich de praktijken van Nicolae Zamfir, de chief-scout van Universitatea Craiova, die hem al op zijn zestiende bij de derde divisieclub Dunaria Calafat wegplukte. Aan de wondertrainer van Universitatea heeft hij in zijn loopbaan het meeste te danken. “Hij was een vader voor me in moeilijke tijden. Hij heeft me geadviseerd wat ik in mijn leven moest doen. Hij bracht me tactiek bij, techniek, gedisciplineerd te spelen. Soms nam hij me een uur apart op de training alleen maar om op één onderdeel te trainen. Ik heb nog regelmatig telefonisch contact met Zamfir. Als ik twijfels heb over mijn spel, bel ik hem op in Craiova.”

Over zijn verleden in Roemenië wil hij niet veel meer kwijt. Waarom ook? Het leven met Porsches lacht hem toe tegenwoordig toe. Zijn periode bij Steaua Boekarest, waar hij negen maanden als voetballer zijn militaire dienstplicht vervulde, is deels een leerzame deels een vervelende geweest, zegt hij diplomatiek. De macht van voorzitter Valentin en tweede minister van defensie Ilie Ceaucescu (zoon en broer van de dictator) bij Steaua heeft hij gevoeld, maar hij zegt er zich weinig van aangetrokken te hebben. Misschien heeft hij geluk gehad. In ieder geval wist hij zich gesteund door zijn familie en belangrijke kennissen. “Ik heb het weleens moeilijk gehad. Maar ik heb het nooit slecht gehad. Ik was een populaire voetballer. Ik had een mooi huis, ik kreeg veel geld, een televisie en ik reed in een Dacia, zo'n Roemeense Renault.”

Door zijn moedige terugkeer bij Universitatea Craiova werd hij een held, een verzetsheld, een man die tegen de wil van de Ceaucescu's durfde te leven. “Drieduizend mensen stonden er bij de training alleen voor mij. Ze geloofden het niet.” Het is alsof Gica voordtdurend terug wil naar de mooiste tijden van zijn leven. De diepgang in de spelonken van zijn bestaan wil hij vermijden. De studie bedrijfsmechanica die hij drie jaar aan de universiteit van Craiova volgde, maar niet afrondde, beschouwt hij nu als tijdverdrijf. Ontwikkelen wilde hij zich wel, maar toch vooral als voetballer. Want dat was van jongsaf aan zijn leven.

Enigszins verrassend is het verhaal van de rechtenstudie die hij al drie jaar 's zomers en 's winters, wanneer hij op vakantie is in Roemenië, volgt. “Ja, ik wil procureur worden. Zoiets.” Jura? “Ja, opkomen voor de rechten van de mensen. Dat lijkt me zinvol, straks als ik niet meer voetbal. Weten hoe ik mensen kan helpen tegen de onrechtvaardigheid in de wereld. In het voetbal wil ik altijd blijven, maar het is goed te weten wat de rechten van de mensen zijn. En als ik dan toch wat met mijn vrije tijd wil doen, kan ik toch af en toe studeren? Nee, niet elke dag. Maar af en toe pak ik een boek. En de colleges zijn toch alleen maar in de zomer en in de winter?”

Tussen ons in zit Dino - het kan gezien de merkwaardige tongval evengoed Gino of Dinu zijn. Hij rookt en hij zucht nadrukkelijk. Hij komt Gica van de training halen. Popescu stoort zich niet aan hem, soms vraagt hij hem in het Roemeens om advies. “Hij is mijn vriend, mijn chauffeur, hij rijdt me overal naar toe, hij regelt alles voor me.” Zijn vriend woont met zijn vrouw en kind bij Popescu in huis. Eerst in Nuenen, nu aan de "Goudkust' van Eindhoven. “Ik wilde een groter huis. Dan kan ik meer mensen laten logeren. Familie, vrienden en bekenden uit Roemenië, hoe meer mensen hoe gezelliger. Dat begrijpen jullie Nederlanders niet. Roemenen houden van mensen, van gezelligheid.”

Gheorghe Popescu werd 24 jaar geleden geboren in Calafat, een stadje van 30.000 inwoners in de provincie Oltenia, aan de grens met Bulgarije. Zijn ouders vormden een arbeidersgezin. Ze voerden een transportbedrijf. Hij komt er nog elke zomer, een weekje bij zijn ouders. Dan stopt hij ze wat geld toe. Dan slentert hij door de straten van Calafat om oude bekenden te zien. Dan geniet hij, als ze hem vragen hoe fijn het is bij Philips Eindhoven, als ze hem vertellen dat ze hem gezien hebben op de televisie, dat ze weer een interview met hem hebben gelezen in de krant. Want waar hij ook gaat, ze volgen hem. De mensen uit Calafat, de journalisten, eigenlijk alle Roemenen. “Want”, zegt hij met de trots die bij hem past, “ik ben de populairste voetballer van Roemenië.”

En dan wil hij nog even vertellen wat Calafat voor stadje is. “Het is oud, gezellig. De mensen lachen er veel. Het is hun temperament. Oltenia is het echte Roemenië. Rondom Calafat zijn bossen. Het ligt aan de Donau, nee eigenlijk op de Donau. Want Calafat ligt op een heuvel en onderlangs loopt de rivier. Ik heb erin leren zwemmen. Iedereen heeft daar leren zwemmen. Calafat is niet groot, maar heel gezellig. Vooral 's zomers als de zon schijnt is het er prachtig.”

    • Guus van Holland