VERENIGING

De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis door prof. dr. G. J. Schutte e.a. 276 blz., geïll., Kok 1992, f 59,50 ISBN 90 242 6621 1

Onlangs was een plaatselijke gereformeerde kerk in het nieuws. De leden hadden bij stemming de keus van hun kerkeraad voor een nieuwe predikante verworpen. Ze was een transseksueel die er een vriendin op nahield. Van verschillende kanten werden deze gemeenteleden vervolgens betutteld. Een medewerker van de afdeling aan de Vrije Universiteit waar de desbetreffende ingrepen ondernomen worden, verkondigde dat in dit soort gevallen gewone mensen dienden te luisteren naar deskundigen.

Zo zijn de Gereformeerde Kerken in Nederland niet ontstaan. In de negentiende eeuw braken mensen met de Hervormde Kerk omdat zij het oneens waren met wat de predikanten daar verkondigden, ook al waren die predikanten op de hoogte van hun tijd en deskundig.

De opvallendste momenten in de negentiende-eeuwse geschiedenis van de Gereformeerde Kerken zijn de afgelopen jaren herdacht. Over de Afscheiding van 1834, over de Doleantie van 1886, en nu over de Vereniging van 1892 zijn bij Kok in Kampen bundels met historische opstellen verschenen. Die bundels dragen vergelijkbare titels en hebben eenzelfde opzet. Ze bevatten zeker het beste wat over de desbetreffende gebeurtenissen te lezen valt.

De dit jaar verschenen bundel De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis is de saaiste van de drie. Dat ligt niet aan de auteurs, maar aan het onderwerp. De Afscheiding van 1834 was de eerste scheuring in de Hervormde kerk en leidde tot het ontstaan van aanvankelijk zeer zwak georganiseerde kerken die snel groeiden. De Doleantie was het onbedoelde resultaat van Abraham Kuypers mislukte machtsgreep binnen de Hervormde Kerk. Het zijn allebei gebeurtenissen met enig dramatisch gehalte.

De Vereniging daarentegen biedt het verhaal over het moeizame organisatorische samengaan van beide groepen. In principe kon niemand daar iets op tegen hebben. Beide groepen onderschreven de Formulieren van Enigheid, de belijdenisgeschriften van het orthodoxe Nederlandse calvinisme. Toch waren er heel veel moeilijkheden, zowel voor als na de synode van 1892 waarop de eenheid plechtig werd verkondigd.

Het is moeilijk zich aan de indruk te onttrekken dat dit allemaal niets anders was dan het soort wrijvingen dat gebruikelijk is bij het samengaan van twee organisaties. Dat wordt in de bundel niet met zoveel woorden gezegd. De meeste auteurs nemen de iets te eerbiedige houding jegens het verleden aan die veel kerkgeschiedenis kenmerkt. De wrijvingen en ruzietjes tussen de leiders van de dolerenden en de afgescheidenen worden nauwkeurig beschreven, maar niet beoordeeld. Dat resulteert in gedetailleerde beschrijvingen van weinig opzienbarende bestuurlijke manoeuvres.

Op plaatselijk niveau bleven dolerende en afgescheiden gemeenten vaak nog jaren nadat de landelijke lichamen gefuseerd waren, naast elkaar bestaan. In een aardig artikel laat Van Deursen zien hoe in Sint Anna Parochie, waar de vereniging van beide groepen meer dan dertig jaar op zich deed wachten, vooral de afgescheidenen zich verzetten tegen het samengaan. Zij waren gehecht aan hun eigen traditie en kerkgebouw. En al hadden zij bijna dertig jaar lang een predikant, die een volbloed kuyperiaan was, en die dus voor ineensmelting pleitte, zijn gemeente volgde haar eigen voorkeur. De afgescheidenen waren geen domineeskerk. Daarom hadden ze het zo goed gedaan.