Valutahandel houdt 6 miljard over aan steun centrale bank

ROTTERDAM, 3 OKT. De massale interventies van de centrale banken om de zwakke Europese valuta's te ondersteunen hebben in totaal ongeveer 6 miljard dollar gekost. Deze schattingen circuleren in kringen van valutahandelaren.

De kosten van de interventies komen voor rekening van de landen die hun valuta's ondanks omvangrijke ingrepen niet voor een devaluatie konden behoeden: Italië, Groot-Brittannië en Spanje.

Alle bij het Europese Monetaire Stelsel aangesloten centrale banken zijn verplicht munten die onder hun bodemkoers dreigen te zakken te ondersteunen. De buitenlandse banken helpen de belaagde centrale bank door middel van leningen, die later worden terugbetaald.

Als interventies succesvol zijn, lijden de centrale banken geen verlies, omdat ze munten inkopen tegen een prijs die na de aankoop niet meer dramatisch daalt. Het risico zit in mislukte interventies: dan worden munten ingekocht die vervolgens steeds minder waard worden.

De grote winnaars zijn de valutahandelaren, die òf voor eigen rekening òf voor rekening van commerciële banken en institutionele beleggers aan de valuta-oorlog deelnamen.

De getroffen centrale banken doen geen mededelingen over de kosten van de interventies. Volgens één valutahandelaar in Londen is de Bank of England er 1,5 miljard dollar bij ingeschoten, de Spaanse centrale bank 2,5 miljard dollar en de Italiaanse centrale bank 3,5 miljard dollar. De meeste schattingen liggen evenwel iets lager.

Uit de officiële cijfers ontstaat langzamerhand wel een beeld van de omvang van de interventies. De Duitse Bundesbank spendeerde tot 16 september, de voor de Britten zo dramatische Black Wednesday, 92 miljard mark (64,3 miljard dollar) aan interventies. De Banque de France gaf in haar moeilijkste week, toen de franc onder vuur lag, 150 miljard francs (30,7 miljard dollar) uit. De interventies van De Nederlandsche Bank bedroegen de afgelopen twee weken achtereenvolgens 5,3 en 3,5 miljard gulden. Handelaren schatten dat de centrale banken gezamenlijk 150 miljard dollar hebben aangewend.

Uiteindelijk is het de belastingbetaler die voor de mislukte interventies opdraait. De centrale banken dragen jaarlijks een deel van hun winst af aan de rijksoverheid: een geringere afdracht vergroot in de meeste gevallen het begrotingstekort. Via een lange omweg wordt de winst van de speculanten zo afgewenteld op de burger.

In Nederland worden de kosten of opbrengsten van interventies niet op de staatskas verhaald. Dat komt doordat winst en verlies uit valuta-interventies niet in de resultatenrekening van De Nederlandsche Bank terechtkomen, maar op de balans worden verwerkt via de rekening "waarderingsverschillen goud en deviezen'. Alleen de vermogenspositie van DNB ondergaat dus de invloed van interventies.

Toch is er voor de Europese burgers die nu wel het kind van de rekening worden een schrale troost: de devaluaties betekenen dat hun munten lange tijd eigenlijk overgewaardeerd waren. Een te dure munt werkt als een subsidie aan de consument.

    • Michel Kerres