Tijdelijke onsterfelijkheid (Meconopsis I)

"Wanneer ik mijn dagboek raadpleeg, geschreven in Lunang op de avond van de 10e Juli 1913, na zestien-en-een-halve mijl op een ongemakkelijk Tibetaans zadel te hebben gereden, kom ik op de volgende aantekening: "Tussen de bloemen stonden blauwe papavers die ik nooit eerder had gezien, en donkerrode irissen en primula's. Er waren ook flink wat aconieten.' Wat een laagbijdegrondse manier om je opname in de onsterfelijkheid van een zadencatalogus te noteren! Niet eens een volzin op zichzelf.''

Zo beschreef lt.-kolonel F.M. Bailey in 1957 zijn rendez-vous met de geschiedenis der botanie: zijn ontdekking van de Meconopsis Baileyi bij de rivier de Tsangpo in Tibet. De blauwe papavers stonden in bloei; hij plukte er een, borg haar op in zijn portefeuille en bracht haar, na een uitputtende en gevaarvolle reis door Tibet op zoek naar de loop van de Tsangpo, met zich mee naar Engeland en schonk haar aan Sir David Prain, de directeur van Kew Gardens en een autoriteit op meconopsisgebied, die haar naar hem noemde.

Bailey was zelf geen botanicus; tijdens de expeditie verzamelde hij vlinders en pafte wat op het plaatselijke wild, maar qua temperament was hij een van die stoutmoedige ontdekkingsreizigers die aan de uiterste grenzen van het Britse imperium opereerden, uit op avontuur, en tussen de bedrijven door vermoedelijk ook nog wat spionagewerk deden. Vreemdelingen waren in die dagen niet welkom in Tibet en de hele expeditie eindigde bijna catastrofaal als gevolg van een brief die Bailey bij zich had en die iemand bedachtzaam in een Chinese envelop had gedaan, in de veronderstelling dat '"een Engelse envelop de Tibetanen door haar onbekende aanblik zou kunnen alarmeren''. Maar de niet onbekende aanblik van een Chinese envelop bleek veel alarmerender te zijn en Bailey had de grootste moeite de Tibetanen ervan te overtuigen dat hij niets met China had uit te staan.

Bailey werd vergezeld door een landmeter, kapitein H.T. Morshead, die hem zorg baarde door zijn gewoonte iedere vrucht die hij zag op te eten, zich niet te bekommeren om de vele bloedzuigers die zich aan zijn lichaam hechtten en aan het eind van een zware dag wat in de velden te gaan rondhollen. ""Wat is er?' riep ik. "Niets', riep hij terug, "ik doe alleen maar wat conditietraining'.''

Hun expeditie naar de Tsangpo was min of meer officieus, ondernomen ter aanvulling van de inlichtingen die tussen 1879 en 1884 onder auspiciën van de Survey of India waren ingewonnen door een Sikkimees genaamd Kintup. Deze Kintup, een "pundit', dat wil zeggen een door de Britten getrainde spion, was niet bepaald voor één gat gevangen. Zo bleek de leider van zijn reisgezelschap, een Mongoolse monnik, hem buiten zijn medeweten als slaaf te hebben verkocht; maar hij wist te ontkomen en in plaats van naar huis terug te keren ging hij dapper door met het vervullen van zijn opdracht. Gelukkig was hij uitgerust met de standaard spionagekit van het Britse gouvernement: een kompas, papier om aantekeningen op te maken verborgen in zijn gebedsmolen op de plaats waar zich het briefje met de formule Om Mani Padme Hum hoort te bevinden, plus de speciale rozenkrans voor geheime agenten, die honderd kralen had in plaats van het heilige aantal van 108, bedoeld voor het tellen van voetstappen.

Ondanks wederwaardigheden waarvoor menigeen op de vlucht zou zijn gegaan slaagde hij er met behulp van deze nuttige uitrusting in zijn opdracht te voltooien; deze bestond er onder meer uit speciaal gemarkeerde boomstronken in de Tsangpo te gooien, met het doel na te gaan of ze uiteindelijk terecht zouden komen in de Brahmapoetra. Zoals met briljante plannen wel meer gebeurt ging het mis: de man die benedenstrooms op de langsdrijvende boomstronken moest letten was in de tussentijd gestorven, en na hun tocht door de ongekarteerde woestenijen moeten de stronken onopgemerkt de baai van Bengalen zijn ingedobberd.

Pech gehad. Maar Kintup herinnerde zich ieder detail, tot en met het aantal passen uitgeteld op zijn trouwe rozenkrans, en Bailey, die later zijn route traceerde, was verbaasd over de nauwkeurigheid van zijn rapport (toen hij van zijn eigen reis terug was, nam hij de moeite om Kintup op te sporen en er voor te zorgen dat het Britse gouvernement hem een bedrag van 1000 roepies uitkeerde als beloning voor zijn trouwe dienst).

Over Kintups waarnemingen van Baileys meconopsis is niets bekend (je ziet hem waden door hele velden ervan, ademloos zijn kralen tellend), maar ze moeten door velen zijn gezien, reizigers en naamloze bewoners van de streek, allemaal in zalige onwetendheid van het feit dat deze plant eens de sensatie van de door de Royal Horticultural Society georganiseerde Chelsea Flower Show zou zijn. Het duurde tot 1926, maar toen trad de meconopsis van Bailey als een blauwe bliksemflits de tuinwereld binnen; niet lang daarna werden ze overal gekweekt, zij het met de aantekening, zoals de secretaris van de Royal Horticultural Society opmerkte, dat ""zij een geheel eigen plaats verlangt, want zij vloekt met het gebruikelijke kleurenschema van juli''.

Het is een van de weinige planten die nog steeds het vermogen heeft te verbluffen; de emotie die zich meester maakte van de bezoekers van die Flower Show in 1926 herhaalt zich iedere keer dat iemand ze voor het eerst ziet. Hoeveel voorkennis iemand ook heeft, zelfs aan de hand van foto's, niets is vergelijkbaar met de sensatie van het zien ervan in werkelijkheid. Intens blauw, blauwer dan blauw (afhankelijk van de grond: met te veel kalk neigt de bloem soms wat naar het paars), met gouden helmknoppen; ook heeft zij de reputatie een "moeilijke plant' te zijn, hetgeen uiteraard haar aantrekkingskracht verhoogt. Geen wonder dat lt.-kol. Bailey vol bescheiden vertrouwen was over zijn "onsterfelijkheid in de zadencatalogus'.

Maar onsterfelijkheid is soms van voorbijgaande aard. Bailey's meconopsis is nu niet langer de zijne en is dat zelfs nooit ten rechte geweest: iemand anders had haar al vóór hem ontdekt: de Franse missionaris Jean-Marie Delavay (over wie volgende week meer). Bailey's naam bleef nog een poosje aan de plant verbonden, maar de wetten van de botanische nomenclatuur zijn koud en meedogenloos. Bailey's diepblauwe papaver is nu bekend als Meconopsis betonicifolia.

Deze hooggespannen eeuwigheidsverwachting is Bailey niet aan te rekenen. Het was een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Als iemand er schuldig aan is dan is dat Sir David Prain, die hoewel bekend als een expert op meconopsisgebied kennelijk zijn huiswerk niet had gedaan. Het identificeren van een nieuwe soort op basis van een gedroogde bloem mag zelfs voor de niet-botanicus al iets voorbarigs hebben: het wordt zuiver nalatigheid wanneer men weet dat een beschrijving van dezelfde plant, compleet met bloem en zaad, al meer dan twintig jaar eerder gepubliceerd werd in Frankrijk.

    • Sarah Hart