Russische soldatendromen

Het leven van een officier van het Rode Leger was hard en eentonig, een nomadenbestaan in een wereldrijk. Maar de beloning was aanzien en een goed pensioen. Dat is allemaal verleden tijd. Het Russische leger verkeert in staat van ontreddering en armoe. Ontstaan op de resten van het Sovjet-leger, moet het in korte tijd worden hervormd tot een slagvaardige, moderne strijdkracht. Voor duizenden officieren betekent dit dat ze naar een andere baan moeten omkijken. Dat valt niet mee.

Leonid

In januari belde Leonid me op in Moskou. Ik had hem een jaar daarvoor voor het laatst gezien, in Oessoerisk, een garnizoensplaatsje aan de Chinees-Russische grens, niet ver van Vladivostok. Kolonel Leonid P. (45), klein maar stevig gebouwd, een paar gouden tanden in zijn mond, ging toen gekleed in het uniform van het Sovjet-leger, dat de Russische man door zijn zakkige snit nooit op zijn voordeligst heeft doen uitkomen. We waren inmiddels een jaar en een staatsgreep verder, dus ik verheugde me op het weerzien. Er was veel te bespreken. Toen ik de deur opendeed, zag ik een man in spijkerbroek en ski-jack, een dure bontmuts op zijn kortgeknipte haar, in de ene hand een grote bos rode rozen, in de andere een fles Franse cognac. De gedaanteverwisseling was een groot succes en ik herkende Leonid dan ook alleen aan zijn tanden. Hij straalde van oor tot oor.

Direct na de augustuscoup had Leonid zijn pet aan de wilgen gehangen. Hij behoorde tot het "jonge' officierskorps, dat in het begin van de perestrojka geloof had gehecht aan Gorbatsjovs beloften dat het leger ingrijpend zou worden hervormd. Toen Gorbatsjov van koers veranderde, begon de twijfel te knagen en dat was het moment dat ik hem in Oessoerisk bezocht. Zijn rasechte soldatenaard - ""als ik een militaire mars hoor, lopen me als bij een oud legerpaard de rillingen over de rug'', had hij me destijds bij onze kennismaking in Moskou toevertrouwd - begon sleetse plekken te vertonen. De staatsgreep en de roemloze rol die de legertop daarbij had gespeeld, gaven de doorslag. Leonid koos voor het burgermansbestaan. En zo kon het gebeuren dat ik hem in januari aantrof als directeur van de firma Grif, geregistreerd in Oessoerisk als dochteronderneming van een Leningradse joint venture. Zijn miezerige soldij van driehonderdvijftig roebel was in een klap doorgeschoten naar negenduizend roebel. Vandaar de rozen en de dure fles Franse cognac, die later overigens een bedenkelijke Poolse wodka-legering bleek te bevatten.

De plannen waren groots en meeslepend en eindigden ver achter de horizon van de Stille Zuidzee. Waren de militairen soms niet haarfijn op de hoogte welke bodemschatten schuil gingen in de schoot van de beeldschone provincie Primorje? Moskou was mijlenver weg en Japan vlakbij en de wereld lag plotsklaps open. En Leonid kreeg roebeltekens in zijn bruine ogen, want we zaten nog in de periode van voor de grote inflatie. Om te laten zien dat hij een man van de wereld was, had hij zich onmiddellijk een stel zware jongens als bewakingsdienst aangeschaft en een zak met geld ""om te dokken'', want dat hoort er nu eenmaal bij, bij de fase van de "primitieve kapitaalaccumulatie', zei hij, gestaald als hij was in het marxisme-leninisme. Mijn hele leven is ingrijpend veranderd, zei Leonid, in januari. Leve het wilde kapitalisme.

Een paar maanden later deed ik pogingen Leonid op te sporen. Ik wilde hem opzoeken om te zien hoe het hem was vergaan in de fase van de primitieve kapitaalaccumulatie. Maar het bleek niet eenvoudig vanuit Nederland Oessoerisk te bereiken. De fax werd ingeschakeld. Via-via kreeg ik tenslotte een brief. De toon was somber. Leonid was vreemd genoeg nog steeds ""onder de wapens''. Voor bezoek moest dus toestemming gevraagd worden aan het nieuwe ministerie van defensie, dat het Sovjet-leger probeert om te vormen tot een Russisch leger en wanhopige pogingen doet de verdwenen discipline in de rijen te herstellen. Desertie, wapendiefstal, insubordinatie - als je de Russische kranten mag geloven, is het allemaal aan de orde van de dag. Je begrijpt zelf wel, schreef Leonid, dat we hier op de rand van de burgeroorlog leven. ""Ons land verandert langzamerhand in een groot militair kamp'', zo besloot hij zijn brief. Geen woord over Grif, geen woord over bodemschatten, geen wijde horizonten meer en geen Franse cognac. Voor mijn geestesoog herrees Leonid in het zakkige uniform, de stijve lange legerjas staande op de frisgepoetste neus van zijn bruine soldatenlaars.

Toen ik deze zomer in Moskou was, lukte het me eindelijk hem aan de telefoon te krijgen. Hoe is je humeur? vroeg ik voorzichtig. Middelmatig kloten, antwoordde Leonid. Zijn ontslagaanvraag was een jaar na de staatsgreep nog steeds niet aanvaard. Bovendien had de nieuwe Russische minister van defensie een streng bevel doen uitgaan dat militairen zich verre dienen te houden van commerciele activiteiten, dus Grif was in rook opgegaan. Mijn Hollandse fax had in Oessoerisk trouwens geleid tot een pittig onderhoud, ""je weet wel met wie'', aldus Leonid. ""Dit is geen gesprek voor over de telefoon'', zei hij tot mijn stomme verbazing, want die angstige frase uit de Brezjnev-tijd klonk uit zijn doorgaans grote mond wel heel bizar. Wat doe je dan de hele dag, vroeg ik hem, als er in de legerplaatsen bijna geen recruten meer over zijn? ""Ik voer de orders van mijn meerderen uit'', antwoordde hij en deed zijn best zijn stem geestig te laten klinken. ""Ik moet oppassen dat ze me mijn pensioen niet afpakken'', verduidelijkte hij lam. ""Ik heb vrouw en kinderen.'' Oessoerisk klonk eindeloos ver weg. Ik sprak wat opbeurende woorden, wenste hem het allerbeste en verbrak de krakende verbinding. Een soldatendroom vervlogen.

Ilja

Het verse grindpad maakt een bocht en eindigt abrupt in het kale veld. ""Kijk'', zegt Ilja en maakt een weids gebaar. ""Hier komt mijn huis te staan. Het wordt om de dooie dood geen domme boerenhut, maar een villa van twee verdiepingen, met een studeerkamer en een open haard. Terwijl ik aan het haardvuur een goed boek zit te lezen of wat notities uitwerk, doen mijn vijftien knechten het werk.'' En hier, wijst hij, komt het badhuis met een berkelaantje naar de rivier. Aan de oever is een ligweide gepland. Voorlopig zie ik alleen een modderpoel, want met het oog op het ligweitje heeft Ilja met zijn zware trekker vast de hele rivier omgewoeld. Het ziet ernaar uit dat hij in zijn soldateske enthousiasme de bronnen, die hier ooit ontsprongen, heeft dichtgegooid, want de bedding staat nagenoeg droog. ""Vroeger had je hier bevers, maar ik begrijp niet waar ze gebleven zijn'', peinst Ilja terwijl hij verbaasd naar de stukgereden aarde tuurt. Het had hem trouwens nog heel wat moeite gekost de arbeiders uit te leggen dat ze een weg naar het niets moesten aanleggen. Dat vereist immers een vooruitziende blik en thinking big is er niet meer bij sinds de val van het communisme. ""De infrastructuur is een van Ruslands zwakke punten'', verduidelijkt hij. ""Dat je eerst een weg aanlegt en dan pas je huis bouwt, wil er bij een Rus niet in.''

Ilja (40) loopt in korte broek met ontbloot bovenlijf door het veld en zijn epauletten zijn dan ook aan het zicht onttrokken. Twintig jaar was hij kapitein eerste klasse van de sovjet-vloot. Kapitein ter zee heet dat in jullie leger, legt hij uit, en geen zee was hem te hoog. Zijn laatste standplaats was Polen. Vorig jaar werden de troepen teruggetrokken en een groot deel is nu rond Smolensk gelegerd. Rusland zit danig met die militairen in zijn maag. Er zijn geen huizen en geen banen. Wat te doen?

Ilja dacht eens diep na over zijn toekomst, verliet de actieve dienst en besloot boer te worden. Met drie collega's stichtte hij niet ver van de Witrussische grens het dorpje Kazatsji. De naam verwijst naar hun verguisde kozakkenbloed, dat opeens weer is gaan opspelen. In drie maanden tijd ontwikkelden de vier musketiers een koortsachtige activiteit. Ze kregen een lening van 2 miljoen tegen een inflatiebestendige rente van 80 procent, pachtten van de nooddruftige kolchoz een groot stuk onvruchtbaar land, schaften een tractor, een vrachtwagen en een combine aan, troggelden de oudjes uit de buurt hun laatste koeien af, kochten een honderdtal ganzen en kippen, brachten een stel konijnen met elkaar in contact en legden een ietwat scheve hooimijt aan. Trots wijst Ilja op drie grote kuilen, die binnenkort tot karpervijvers zullen worden omgetoverd. Zoveel is duidelijk: de vier hebben zich ten doel gesteld de eerste postcommunistische grootgrondbezitters van Rusland te worden. Voorlopig wonen ze in twee door de kolchoz ter beschikking gestelde huisjes, want van hun vier geplande villa's is nog niet meer gearriveerd dan een reuzenstapel hout.

Ilja is de commandant van het gezelschap, dat voel je meteen. Hij is wat ze in het Russisch een soldafon noemen, een houwdegen, gewend om bevelen te geven. Het boerenbedrijf zal militair uit de grond worden gestampt. De Oekraiense Volodja, met zijn vrolijke kozakkensnor, is meer iemand van weinig woorden en hard doormelken. Hij zou liever teruggegaan zijn naar zijn geboortegrond in de Karpathen, maar daar is helaas geen akkerland voorhanden. Een verschil tussen Oekrainers en Russen voelt hij niet, al dat nationalistische gewauwel vindt hij maar onzin. De derde kameraad is even met vakantie en de vierde ligt inmiddels in het ziekenhuis. Kwaad wijst Ilja op de Zjigoeli, die total loss op het erf staat. Nummer vier is dronken achter het stuur gaan zitten en tegen een lantaarnpaal gereden. Zo te zien mag hij van geluk spreken dat hij het er levend heeft afgebracht. Ilja heeft zijn beslissing al genomen: nummer vier moet zonder compensatie uit het collectief gestoten worden, al smeekt zijn vrouw nog zo om mededogen. Als we drankmisbruik gaan toestaan, zijn we verkocht, zegt Ilja streng en schenkt ons nog eens flink in, want hij is jarig vandaag.

Vanwege de verjaardag staat vanavond de eerste gans van eigen bodem dampend op tafel. Tanja en Anja hebben hun uiterste best gedaan, maar als we even stiekem buiten op het erf een sigaretje gaan roken, terwijl de mannen binnen over politiek discussieren, klagen ze me hun leed. Voor geen goud willen ze in dit gat wonen, die mannen met hun rare dromen van koeien melken, let op, er komt geen snars van terecht! Beide vrouwen wonen en werken nu nog in Smolensk. ""Ik kom pas als die villa er staat'', pruttelt Tanja, niet bepaald het boerinnentype. Ilja zelf laat trouwens ook geen gelegenheid onbenut om te benadrukken dat hij beslist niet uit de klei getrokken is. Als een dame op de televisie een aria aanheft, maant hij onmiddellijk om stilte en met gesloten ogen wiegt hij zachtjes met zijn ontblote bovenlijf mee op de muziek.

Als de ogen open zijn debatteert hij met mijn chauffeur Zjenja, die ook een boerenbedrijfje wil beginnen en verbijsterd is over de steun die de soldaten hier krijgen. Dat is allemaal te danken aan luitenant-generaal Krajev, die tot groot genoegen zelf een blauwe maandag in de buurt geboerd heeft, maar inmiddels is teruggefloten naar het landbouwdepartement in Smolensk. Hij is een warm voorstander van het omsmeden van zwaarden tot ploegijzers en hoopt het gigantische overschot aan soldaten over te kunnen planten naar de even onmetelijke landbouwgronden. Vandaar de steun. Zjenja is afgunstig. Voor een Russische sterveling zonder epauletten is dit niet weggelegd.

Echt woorden krijgt Zjenja pas met Ilja als de soldateneer in het geding komt. Ilja vermoedt dat ik alleen gekomen ben om mij vrolijk te maken over een eerbare luitenant ter zee met een meer dan respectabele staat van dienst, die kort voor zijn pensioen gedwongen wordt zijn eigen aardappels te gaan telen. Als ik vraag om de naburige legertent te mogen bezoeken waar een zestal officieren huist, die ook de agrarische pioniersgeest over zich vaardig hebben voelen worden, knikt Ilja resoluut nee. Daar schaamt hij zich voor. De soldateneer is al veel te veel door het slijk gehaald! Nu ontploft Zjenja. ""Soldateneer'', roept hij smalend, ""man, waar heb je het over? Ik schaam me toevallig nergens voor en ik heb ook niks te verbergen. Wat loop je nu weer groot te doen. Hoe lang blijven jullie jezelf nog flinker voordoen dan jullie zijn! Alsof ze in het westen achterlijk zijn! Bah, wat een huichelarij!'' Ilja's gezicht verstrakt, zijn vrouw posteert zich vierkant achter hem. Ik geef Zjenja een trap onder tafel, schenk snel nog eens bij en stel een toast voor op de koningin. De bui drijft over, Ilja's uniform hangt immers aan de kapstok en bovendien kiest Volodja op zijn rustige manier Zjenja's kant. ""We moeten elkaar vertrouwen'', zegt hij en lacht me vriendelijk toe. We besluiten de volgende ochtend op zoek te gaan naar de soldatentent en na enige aarzeling geeft Ilja me zelfs zijn geheime militaire stafkaart van de regio cadeau.

'sAnderendaags gaan Zjenja en ik op pad langs de Westelijke Dwina. Ergens aan de overkant moet in het wijde veld een soldatentent staan, maar een brug is er niet en zo lopen we tegen de Witrussische grens op. De grensboom is dicht en een politieagent veert op, blij met zijn klanten. Hoewel we uitleggen dat we het Witrussische territorium niet zullen schenden, staat hij toch op een uitgebreide papierencontrole. Levensmiddelen mogen Rusland immers niet verlaten. Wij groeten beleefd en maken rechtsomkeert, op zoek naar de veerman die ons over de Dwina moet zetten. De oude baas vaart ons in zijn roeiboot over. Zijn hele leven heeft hij hier gewoond en het platteland is voor zijn ogen leeggestroomd. Hij wijst op het pad langs de rivier. Twee kilometer verderop staat de legertent.

In de tent treffen we slechts een snurkende jongen aan, die op de landbouwmachines moet passen. De officieren zijn gevlucht naar hun vrouwen in Lvov, alleen Sasja uit Sebastopol beploegt het veld, geholpen door een landsknecht uit het dorp verderop. Sasja is hierheen gekomen nadat hij luitenant-generaal Krajev op de televisie gouden bergen had zien beloven aan nieuwe kolonisten. Krajev steunt de soldaten, maar de kolchoz heeft de slechtste grond afgestaan. Sasja wijst op de overal opgeschoten struiken, die het zicht op het veld benemen. Zelf komt hij uit een boerenfamilie, dus het werk op het land is hem niet vreemd, maar de soldaten uit Lvov moeten nog veel leren, zegt hij. Dit jaar is de oogst trouwens goeddeels mislukt door de droogte. In heel Rusland woeden honderden bosbranden. Sasja ploegt voort en wij gaan terug naar de veerman. Zjenja, die een kaasbedrijf van Hollandse allure wil beginnen, is absoluut niet ontmoedigd door wat hij heeft gezien. ""Ik heb veel geleerd'', zegt hij op de terugweg. ""Boer worden is mogelijk, maar alleen als je protectie hebt en je eisen de eerste jaren niet al te hoog stelt.''

We rijden terug naar Smolensk. Het bos brandt. Door het braakliggende veld stappen ooievaars. Ter verstrooiing legt Zjenja me uit wat er fout is gegaan in de wereld. 'tIs de scheiding der machten, die zoek is geraakt. God is de wetgevende macht en dus de moraal. De duivel is de rechterlijke macht en dus de straffende instantie, en de mens is de uitvoerende macht. Tot zover loopt alles op rolletjes. Maar zodra er een op de stoel van de ander gaat zitten, loopt het mis en dat is in Rusland gebeurd. Hij kijkt me aan met slimme ogen en ik zie hem denken: benieuwd of ze dat slikt. En ik laat mijn blik vredig over de onmetelijke vlakte dwalen en denk: er is geen speld tussen te krijgen.